Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 81 —
Sijn minst was, weder-gunst van 't Vrouwen-hert tc wachten;
Of 't was een -mancke min, en 't kon, in allen schijn.
Noch in den Hemel Trouw, noch voor de menschen zijn.
Want wien waer 't mogelick een' spijtig' gast t'onthaelen.
En wat schoon en wat rijck kon d'ongenucht betaelen,
Van een gedwongen hert, van een^ verkracht gemoed?
Eu wie dc geerne dat sijn weêrgaê noode doet?
Wegh, Ouders wreet geweld, wegh. Hel van felle vrinden:
Is 't Jae-woord aen de Pley 1), en anders niet, te vinden,
Soo segh ick: heyligh Neen; de Schael moet even staen
Door eigen weder-wight, of 't Hylick is verraên.
Mijn hert is uyt geseght: ick pass* op ^een verwijten:
Dc steen is uyt de hand; sy mögender in bijten.
Dien 't lust te spertelen; als 't bijten over is,
Soo sal de waerheit noch een redelick gewiss'2)
Doen stemmen met mijn stemm', en seggen: ,,Dat 's gesproken,
Kn dat 's eeu Batavier, die, door waerschijn gebroken,
Te voorschijn heeft gebracht het moeyelick blancket.
Dat nemmer goed en doet, en veeltijds 't goed belet".
Wat heb ick tijds gespilt, wat had ghy tijds te spillen.
Die dit gewichtigh stuck ten uytersten moght willen
Voltoyen naer de Kunst! maer *t is soo verr' voltoyt.
Dat die 't begrijpen wil, begrijpt het nu of noyt;
Die 't niet en wil, verdient geen meerder onderrechten:
My lust den stegen3) niet onendi^h te berechten;
Eick sijn gevoelen vry, het mijn is uyt gepleit:
Wel hem die beter weet, ick gun hem sijn bescheid-
Men moght my 't langh geteem met billickheid verwijten,
A.ls wild' ick vrienden hier haer' schoenen doen verslijten,
Haer' Ooren en haer' Tongh: terwijl my 't spreeckwoord raeckt.
Dat nemmer eigen grond den meester moede maeckt.
Maer, Vrienden, lacht van hoop; *t moêmaken gaet ten ende;
En schrickt niet, of ick 't weêr Zuyd en Zuyd-Oosfc aen wende,
Bn weêr naer 't lange Plein, daer ick u staende hiel.
En met meer woorden als goê reden overviel: (geleden
'k Neemp 't voor een Schaeckberd nu; daer't ons niet lang
1) palei, pijn paal; versta: met dwang. 2) geweten. .8) stugge.
HUYGENS. y. 6