Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 79 ~
Bruyn* oogen, beaux esclairsy heaux soleils, en beaux astres.
Misnoegen, desespoir, blauw scheenen-zeer, desastres-,
Als of het vryspel seif niet kaps genoegb en waer,
Wy doender bellen toe, en haeleu, 'k weet niet waer,
Waer mê de sottigheid ter degen uyt magh klinken;
Als ick een* Vrijster waer, de Vryer sou my stincken,
Die uyt den Lande liep om tolcken van sijn hert!
Vergeeft my, jonge luy, ick keur 't een' malle pert,
AI 't sinne-loos gelaet daer mê ghy meent te proncken:
'k Hebb' oock eens jong geweest, *k hebb' oock eens voelen
(voncken
Dat Minn' heet in goed Duytsch: maer tot de raserny
Die in de sinnen slaet en viel ick noyt van my.
En Meisjens, met verlof, 'k moet eens mijn hert uyt spreken,
't En sal geen laster zijn, of 't staet u vry te wreken:
Jae, wreeckt de waerheit self; dat valt veel tijds haer lot;
Het smaeck' u heel of half, onthoudt het van een' Sot:
De weecker Menschlickheit, het volck met lange rocken.
En hebb' ick noyt gehaet: eer heeft het my betrocken.
Eer heb ick 't nae gegaen, of vriendelick ontmoet:
Want, seid' ick, keurde God al dat hy maeckte, goed.
Dit 's van den besten slagh het tweede: soud'icK laecken
Dat God gepresen heeft? daer neffens quam 't vermaecken,
Dat alle Menschlickheit in 't onderscheid bevindt.
En daer door yeder, wat hy niet en heeft X), bemint:
Daer neffens quam het schoon met sijn* bevallickheden.
En daer ick Vrouwenschoon met minnelicke reden
Geluckigh sagh verselt, en "daer ick styve deughd
In morwe leden vond, en maeghdelicke jeughd
Met wetenschap, of lust tot wetenschap, besteken.
En daer ick wijsheit hoord' uyt rooselippen breken,
Daer, docht my, was ick by des wijsen mans gerecht:
In sil'vre Schotelen goud' Appelen geleght;
Maer, daer ick 't niet en vond, en was ick van schoon' oogen.
Van blanck vel, en blond haer noch meer noch min bewogen.
Dan van het houten hoofd, dat op de Cyters hals
1) Eerst: al dat liy derft.