Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 71 ~
Het heilige geslacht, dat haeren Heiland doodden?
Wie deert de blindheit niet van 's werelds grootste deel,
Dat Hei en Dnyvels macht noch hebben by de keel?
Wie kan de Christenen besien en niet besclireyen.
Die door Uoomsch misverstand van Sion zijn gescheyen.
En willen scheppers zijn des Scheppers die haer schiep.
En willen noch voldoen 't geen hy van 't Kruys af nep,
By Hem te zijn voldaen, en doen Hem stadigh sterven.
Die ons door ééne dood het leven heeft doen erven;
't Zijn blinde grouwelen, onnoosel mis-verstand:
God weer' se meer en meer van u, mijn Vaderland,
God kome noch eens af, en ^eesseP hier beneden
Noch eens die koopers uyt Sijn* huysen der gebeden:
Het schijnt geen Menschen werck, wy zijn der moeyte moê.
Der vruchteloose moeyt'; daer hoort mirakel toe.
Maer eer 't mirakel kom' (Hy weet sijn' goede tyden)
Wat zijn ons' plichten meer als treurigh_medelijden?
Wat zijn ons' wapenen, als bidden om dien dagh.
Die eens de heele Kudd'in één koy brengen magh?
Dat bidden is mijn haet, mijn vloeck, beminde blinden,
Dat sult ghy in mijn' wraeck, in plaets van mutsaerd, vinden,
Dat Christelicke vyer, in plaets van rad en galgh,
Daer van ick even soo als van uw' misdaed walgh.
Dit 's uyt het Boeck gepraet. dat God heeft willen spaeren
Tot onser zielen licht, van doe wy uiet en waren.
Het ander light'er by: het Boeck van alle dingh.
Van alles dat hy eens in 't groote Rond bevingh.
Het wonderlicke Boeck van sijn' ses wercke-dagen.
Wat seght ghy, Wandelaer? indien 't u kan behagen,
Wy gaen vau blad tot blad, van daer de Son begint.
Tot daer sy slaepen gaet, en laet de wereld blind:
Wy weten wonderen uyt dit Boeck te vertellen:
Al zijn de Sterreu veel', wy wetense te tellen.
Te passeu op een' mijl: al loopt de losse Maen
Dan blootshoofds, dan gehult, dan met een masker aen,
Al duyckt sy voor ons oogh, sy kan ons niet ontslippen;
Wy weten wat sy meent met piecken en met tippen,
Met ringen, en met geen'; wy weten wat haer scnort.