Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 70 —
Of hy ontslipt ons wel: soo dat ons klaer, klaerachtigg.
En waer, waerachtigh werdt: en dan volght meer en min,
Naer meer en min veriaets oj) 't soet van eigen sin:
Soo komen wy somtijds van sinnen wat te schillen 1),
Soo dat'er twee Zuyd-west, twee and're West aen willen;
Maer 't scheel en maeckt geen' twist: ick haet mijn' broeder niet,
Om dat ick liever groen, hy liever purper siet:
't En is geen Menschen werck; 't zijn stege beest'lickheden.
Eens anders met geweld te binden aen mijn reden.
En maken plotselick een vyand van een' vrind.
Om dat hy sijn Geloof in 't mijne niet en vindt,
Om dat hy met en voelt dat ick meen wel te voelen,
Laegh dat vuyl over boord, wat waerder min te woelen.
Wat waerder min gespoocks. wat waerder min gedruys.
Wat waerd'er koele kalmt' in Kerck, in Huys en kluys!
Om alles in een woord van kort beslagh te knoopen:
Vind ick mijn' even-mensch het toe-pad mis te loopen,
Den Bywegh in te slaen; of sien ick hem verlockt
Van spijse, daer de dood een' tand heeft in gebrockt;
Wat maeck ick voor gebaer? ontstel ick my van buyten,
Ontsteeck ick mijn gemoed, werp ick dien Man met kluyten,
Schend ick hem met verwijt, wensch ick hem erger quaed
Dan 't geen hy eten wil, dan daer hy henen gaet;
Haet ick hem om sijn doen, vloeck ick hem om sijndwaelen?
Dat lij den Hemel niet! Ick tracht hem af te haelen,
Ick toon hem sijn gevaer; ick wijs' hem 't beter pad
Met air mijn' Kedens macht: soo hy se niet en vat,
Ick sucht hem droevigh naer, ick wensch hem beter oogen,
Ick straff hem met niet meer als broederlick mêdoogen,
Ick doe hem wat ick wouw, dat my gebeuren kond',
Wanneer een Broeder my een stal-licht 2) volgen vond;
God roep ick tot sijn* hulp; God, die my heeft bevolen.
Mijn' vyand wel te doen: want selver soud' ick dolen
En in den doncker gaen, g^und' ick mijn' naesten quaed.
En sultte zijn eilend met Christeloosen haet.
Wie deert Gods erfdeel niet, wie treurt niet om de Joden,
IJ Verschillen, schelen. 2) dwaallicht.