Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
Die ongefoolde 1) Maeghd van vinger en van dnym.
Dien Appel, goud op groen, die wonderlieke Bessen,
Die Kerssen, uvterliek als roode wijn in flessen,
Noch beter in haer lijf; die Peer, met haer geslacht,
Door menigh overspel tot soo veel keurs gebracht?
Het lacht al, dat men 't siet (men schijnt het schier te hooren.
En soo waer 't Spreeck-woord valsch: de Buyck en heeft
(geen' ooren)
Maer 't lacht vol Aloës2), voor die sich se^fs verraedt.
En niet en onderscheidt versot zijn, van versaedt.
Ghy zijt versaedt, en meer, van dit langh wij ligh preken;
Maer, hoort het tot de lijst van kribbige gebreken,
Uyt dingetjens van niet, uyt ongeachte stoff*.
Te su_vgen 's schepsels nut, te tuygen 's Scheppers lof;
lek ken 3) de vol e schuld, en wilse niet verbloemen:
'k Maeck geeren yet van niet, en distelen tot Bloemen.
Al wien het lust met my, de Bloemen gae te slaen,
Begeve sich op zy, daer al des' Mannen staen
('k Segh niet meer Mannetjens; dat voeghd' haer* jonge
jaren),
Mast-boomen, dick en steil, die met haer' bruyne paren
De cingels van raijn' Thuyn omcingelen met pracht.
En maeckender by naest van Middagh Midder-nacht;
D' Atheensche Galery, daer Roomen selfs gingh halen
De wandelende less' van wetenschap en talen.
Moet swichten voor dit pad, voor deser paden groen.
Komt, wijse Wandelaers, hier heb ick u van doen:
Laet Vrouw en Kinderen de voose vreughd der vruchten
Genieten voor haer deel, en naderhand besuchten;
Wy sullen Mond en Tough besteden aen wat meer,
Aen vrucht, daer van den beet tot beter voedsel keer'.
Het gemelick 4) verhael van Staetsche vodderyen,
Van Werelds werrin^en en meen ick niet te lyen
(Die wetten schrijv' ick voor), ick bann den heelen Haegh.
Met al sijn achter-klapp, ick bann de vuyle plaegh
Van loose pleitery, ick bann d' onstuymigheden
1) Onbetaate. 2) Versta: bitter. 3) erken. 4) .ouverkwikkelyk.