Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 67 ~
't Stuck valt my wat te swaer; ick schenck het sterker' geesten:
Want, wat de keel belanght, en 't leckere verdriet,
't Zij roemeloos geseght, de Sond' en raeckt mj niet.
Danck hebbe Uie my gaf mijn selven te vermannen.
En tegens 't sot geweld van Mond-last in te spannen:
Ick ben niet smaeckeloos, noch mijn gehemelt steen:
Maer 't is mijn Hemel niet: mijn' tongh en is geen been;
Sy voelt; en ick voel oock, hoe langh sy dient te voelen,
Hoe veel, en hoe veel niet: verdrincken is geen spoelen;
Daer hoort maer drincken toe; dat weet ick, en wat meer:
Gelijck het spoelen koelt, soo doet verdrincken seer:
Al dat ick draghen kan, en schroom ick niet te laden:
Maer dat ick niet en kan, het minste Meer, kan schaden:
Als 't vat maer vol en is, soo drijft het, of het stond;
Soo haest als 't overloopt, soo moet het naer den grond:
Dat doet de letste drop: wat doen dan duysend droppen
Naer 't vat aen 't sincken is? let, sponsiën, let, soppen,
Let, drinckers, die te bedd', gelijck te gronde, gaet;
En, daer ick wesen wouw, let. Snoepers sonder maet.
Wat dat uw' Macgh gewelds van Tongh en Keel moet lijden.
Van overswelgens meer als Beestelick verblijden.
Een gierige Portier magh aen de deure staen.
De deur van 't Kamer-spel, en laeten binnen gaen
Al wat 'er wesen wil: in 't ende moet hy hooren
Dat over-val benauwt; dan moet het bf van voren.
Of weêr van achter uyt, dat meer is dan de Sael
Kan swelgen met gemack. Ick spreeck geen' duyster' tael;
De saecke self spreeckt Duytsch: wie ooren heeft, kan hooren;
Wy sien wat ons gebeurt van achteren, van voren,
^aer moet geen doeckjen om) van ond'ren, met verlof,
Van boven rauw en rot, en geel, en groen, en grof.
En al om eens Portiers verraderlick onthaelen
Van al dat binnen wil, en .eindelick de Saelen
Van Maegh en Buyck en Darm doet bersten van Colijck,
En, voor het beste loon, maeckt van een Lijf een lijck.
Nu, Snoeyers, 't staet u vry; ghy mooght? wel binnen komen;
Maer, weest'er op bedacht, de dood is in de Boomen;
Dan 't leven isser oock. Siet ghy die peersche Pruym,