Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 57 —
En dien ick soo misdoe verhaer het soo op my;
En 't sal in my den lust van wederkeeren wecken,
Daer gulde vryheit woont voor komen en vertrecken.
Mijn poorten houd ick wel verdedight: volght miju Laen,
Mijn Lanen' wederzijds: die moet ghy oock sien staen.
Als Armen die mijn' vriend omhelsen en onthalen.
Doch Vrmen spreken niet: dces' können oock geen* talen:
Maer d'ander' menschlickheid, het Lachen, is haer' gaef.
Verstaet ghy dat gelach? let op het groene gaefl)
Der Linden", mijn geboomt, en eertijds mijn' Jjaurieren,
Die harren koelen pracht als wassche Toortsen eieren,
En denckt (om kort te zijn: sy selver zijn niet langh),
Dat wat mijn' jonge fluyt van 't Voorhouts groene gangh,
Op niewe noten peep, van dese staet te pijpen.
En, soo ick mijn vernuft noch eens bcstoud te slijpen,
Dat Hofwijck en den Haegh te samen souden gaen,
Of, waer den Haegh de Son, dat Hofwijck waer de Maen.
De Stammen zijn gelijck, de schaduwende kruynen
Staen hier, soo wel als daer, gelijck begraesde duynen.
Hier in gaet Hofwijck voor; in 't s Gravenhaeghsche Pand
Is niet als Linden-hout by Linden-hout geplant,
En dan een' steene buerf, daer Mensch en Peerd en Wagen
De vlugge Eluytertjens2) den soeten Haegh uyt jagen:
Danck hebb' het vuyl gewoel van Wagen, Mensch, en Peerd;
Sy jagen Hofwijck toe dat Hofwijck meest vereert.
De Goudvinck is van 't minst, de Kneu, de Spreew, de Lijster,
Hier sit de Nachtegael en gorgelt met sijn vrijster,
De Koeckoeck slaet de maet, en roemt van sijn bedrijf
In volle vryheit, want de Land-heer heeft geen wijf:
In Stê en doet hy niet dan Mans en Vrouwen tergen,
Eu meuigh lacht'er om, diens haeren staen te bergen.
Hier danst dat vrye volck vau d' een' op d' ander tack.
En is 't de Linden moe, het kiest een ander dack,
Een dack van Elsen-loof, reis-mantel van die Linden,
Die s' in haer' eerste jeughd beschermden voor de windeu.
Beschutten voor Noord-Oost, behoedden voor Noord-West,
1) Ongerepte groen. 9; Versta: de zingende vogeltjens.