Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 56 —
Daer bid ick allen voor, als ick voor allen doe:
Besteden sy liet klein, dat ick haer naer kan laten,
In soeten teer naer neerl), in vrolickheid met maten,
S;^ hebben 't lijdelick, en die 't ons gonde, leeft.
Die niet fe leur en stelt dan die Hem eerst begeeft.
Noch staen wy voor mijn' Poort; 't is onbedacht gesproken:
Mijn' Poorten most' er staen, of't waer mijn woord gebroken;
Noch staen wy niet daer voor, ons' oogen zijnder in:
't Zijn Heckens, Vreemdelingh, en dat heeft oock sijn sin.
't Is open deureii-werck; 't gelaet van alle vromen,
Die in haer blancke hert voor geen gesicht en schromen,
Yoor geen getuygeniss' vau wat daer werdt gedacht.
Of in onifangenis, of in geboort gebracht;
Want, als de buyten-stofF, is 't voeder van haer' rocken,
En, of ghy op het werck, vau binnen op getrockeu.
Of op den wijser siet, sy slaen altoos op een:
Maer sulcken uerwerck is, God weet het, niet gemeen:
My, bid ick, dat het voor wat openhertighs strecke.
Dat liier en daer een' Poort gescheurt is tot eeu hecke.
En dat het op het hert des Meesters werd' gepast.
Twee Poorten seggen meer: onthael ick vriend of gast,
't En is niet door een' deur, 't is door twee open' deuren:
Den ruymen ingangh thoont wat binnen sal gebeuren,
En dat de vrienden op mijn Brood en op mijn' Wijn
Niet half, niet heel, niet eens, maer tweemael welkom ziju.
Komt yemand tegens my het blaedjen om te keeren,
Eu seght: twee deuren op? — daer wil men ons by leeren.
Dat, als 't op scheiden komt, twee Lanen open staen,
Ln dat ick tweemael heet mijn' gasten henen gaen,
]3ic eens geuoodight zijn: dat wil ick uiet ontkennen;
Aen Man- of Vrouwen-kracht kan ick my niet gewennen;
D' Onheusche heusigheit, 't onsinnige geweld
Dat op den soeten kerf van vriendschap werdt mis stelt.
En heb ick noyt gelooft 2): maer wel van outs onthouden
Die willen, laten gaeu, die niet en willen, houden:
De waerd moet gast-vry zijn; maer oock de gasten vry;
1) Tering naar nering. 2j geprezen.