Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 54 —
F en Boomgaerd midden in, een Plein, een Huys, een Vijver,
recht.
Wie die verdeelingh laeckt, veracht voor eerst sijn selven,
En 't schoonste dat God schiep. Eer ick bestond te delven.
Nam ick des wijsen less* tot richtsnoer van mijn doen:
'k Besagh mijn selven; meer heeft niemand niet van doen.
Twee Vensters voor 't gesicht, twee voor den Reuck, twee
(Ooren,
Twee Schouderen iu 't kruys, twee Heupen daer sy hooren,
Een' Dye van wederzijds, een' Knie, een Been, een Voet;
Is, seid' ick, dat Gods werck, soo is 't volkomen goed;
En, waer ick henen sagh, ick wist geen wet te soecken
Die by dees' gelden mocht: wegh, riep ick, scheevehoecken,
En oneeuparigheit, en ongeregelt scheel.
Dat niemant en vermaeckt, dan die sijn' Neus sijn' Keel,
Sijn' Mond, sijn' Kin, sijn' Buyck, sijn alle diugh, kan lijden
Verr' van de Middel-lijn slim uyt gestelt ter zijden.
En, ais ick oversloegh waer sulcken stel op trock,
Soo viel ick op 't oueensl) van een' Japonschen Koek,
Op 't onbegrijpelick van die verwerde plecken.
Die 't kleedsel voor pieraet, en my voor onlust strecken.
En, als ick by geval door sulcke paden trad,
Soo docht my, 't was om 't jock g;edobbelt of om 't wat,
Waer dese boom sou staen, waer die steegh sou belenden;
Ick wierd' er koortsigh af, en waer ick quam te wenden,
Daer draeyde my het hoofd, gelijck des planters ae.
Die alles onverhoeds gedraeyt had uyt sijn' stê.
Verlappers van oud werck kost ick genadigh dulden:
Maer Snijders van niew stoff en sagh ick niet t' ontschulden
Mijn Laken was geheel, en ick een schele geck,
Soo ick 't versnipperde met een versuft besteck.
1) Bonte, veelkleurige.