Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
~ 45 —
ilaer 't is' er sorgelick te treden voor de blinden:
jesuyekert is de korst, de Taerte meniglimael
^"an Gair of Aloë, en 't vriendelick onthael
^an 't Meisje werdt rood sand; Als de beloften uyt zijn,
iÖn 't Bruyloits Bed verkroockt: dan moetgliy baerte buytzijn,
Sn klagen souder help, dat u een vrieud'lick vel
Navoert heeft (ick en weet niet heeters) in de HeU'.
Doet oock u self bescheit. Moer Eva's echte kind'ren,
tal-lichtjens 1) voor de Mans, ick wil u niet verhind'ren
Jw weêr-woord uyt te slaen: het deckt oock wel rood sand,
ghy tot onsent licht soudt nemen voor goed Land:
Die lieffelicke korst van buygen en van strijcken,
Vslu sterven lit voor lit, uer voor uer te beswijcken,
3erght veeltijds (let: veeitijds) soo wonderlicken aerd,
)at ghy het beter wist gescheiden, als gepaert.
Dus ben ick Heer in 't groen van Roodenbergh gewerden.
3at was te trotschen Van2), om soo slecht uyt te herden:
^aer most wat aensiens op, soo dat mijn niew besit
?en minsten wierd vereert met kijckers: „Wat is dit?"
)at luckte wis en wel; 'k vermoeyde Land en Luyden,
tet vragen: kijck, kijck, kijck, wat heeft dit te beduyden?
Vat werpt de Zee al op? wat of dit werden sal?
In 't vragen werde meest voldaen met Niet-met-al:
laer met een Niet-met-al, dat Antwoord mocht verstrecken,
)aer een "s 3) neuswijsigheid tot vragens toe mocht recken.
Vat *s Menschen Neus beduydt in 't schoonste van sijn hoofd,
In wat mans tepelen, en Vrouwen kin geklooft,
Vat putjens in naer' waugh, wat kuyten aen ons' beenen,
^n, als men 't nauwer nam, wat nagelen aen teenen ?
len antwoordt: „Niet-met-al"; en 't is niet mis geseit;
iacr sien wy scherper toe, 't en is maer half bescheid,
ïaer is een Niet-met-al, dat noodigh werdt gepresen
>m dat het noodigh is, en noodigh moet het wesen
>ra dat het God beval te wesen dat het is;
>at noodigh is 't cieraet van 't schepsel, en, gewis
ods hand-meid 4) voeght alom het Goed en 't Cierlick t' samen.
1) D-A-aalHchtjens. 2) toenaam. 3) iemand's. 4) Vtrsta: de Natuur.