Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
~ 42 —
Van eeren? halsen werck 1); 't is yeder een sijn stuck,
ïen minsten met fenijn van nijdighe gedachten
Te schieten naer sijn vla^g', en op sijn val te wachten;
Als of 't ons beter ging m yemands minder wel:
En, als men 't seggen magh, daer springt' er 2) uyt haer vel
Van vreughden, als een valt die haer, wat hoogh verheven.
Een nijd-blein3) in haer oogh onschuldigh hebb' gegeven:
En laet ons op den wegh sien struyck'len by geval
Die 't niet verdient en heeft, wy lachen om den val.
Hoe d'ongerechtigheit haer selfs weet te bekeuren:
Wy grimmen om dien lach, als 't ons komt te gebeuren!
Bekeur ick dan 't gelach van onse wilde vreughd;
Van ons getuymelt beest? o neen, ick priis de deughd
Des Schutters, dien sijn pijl, sijn pees, sijn boogh, sijn oogen,
Sijn taaye zenuwen voor die reis niet bedrogen.
Meer sal ick 't prijsen, meer, als 't noch en noch een mael.
En noch een mael geschiet: nu hangh ick 't in de schael,
Of 't heele konst ot half, of 't half geluck of heel is.
Ick tast aen dese stropp', ora dat 't raijn eigen keel is,
Die ick er mê benauw; wie ghy my kent of niet.
Mistrouwt het weinige, dat m'aen my hoort of siet;
't Heb wel een Papegaey een* vleugel afgeschoren
Met een bevallick woord: (of sulcken slagh van ooren
Vernam het dien 't beviel.); och armen! maer 't is mis,
Soo *t my te voller eer oyt toegerekent is:
't Geval heeft mê gedaen; En die *t my noch eens verghde,
En noch eens, en noch eens, souw sien hoe ick my berghde,
Kn in mijn selven doock, daer 't hol is, als een vat
Dat van een klopjen bomt, en laedt noch droogh noch nat.
*t En is geen achterklap; ick scgh 't voor Son en Sterren;
Wanneer ick in 't gedoen der menschen kom te werren,
'k Sie menigh averechts voor-oordeel op het pad:
*k Sic groot geluck betracht, en even op gevat
Of 't groote wijsheit waer; *k sie uytkomste van saken.
Of s* uyt den Hemel viel en stortte door de daken:
1)Versta: halsbrekend werk.2) Thans in springen er ontaard; rerg.
boven dient er, enz. 3) blaar.