Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 35 -
Gedreiglit werdt 1) gangli voor gangli met 's levens lesten krack
Op mijner Stranden klip; denckt, of ick mijn gemack
Afsteken sie als wit by 't swart van die elende;
Denckt, of ick my rondom, als in mijn roosen, wende,
Terwijl dat arme volck de handen, van 't geschrob
Van touw en takel zeer, ten duyst'ren hemel op
Met kromme knyen streckt: dencKt, oft mijn lust verdobbelt
Dat ick soo veiligh sit, en mijns gelijck soo tobbelt,
Soo dobbelt om sijn lijf. Soo gaet het allerweeghs:
Hoe dichter onlust is by wellust, hoe meer deeghs.
En soo doet Vrouw Natuer, in vele van haer wercken.
Het wederstrijdighe door 't strijdighe verstercken:
Soo werdt de kelder warm als 't ijs in 't water leit,
Soo werdt de kelder kout ais 't Somer-veld verbeidt 2):
Soo sit ick in mijn kluys van Eicken, in mijn kluysje,
In mijn gevonden hoeck, mijn ongevonden huysje;
Hoe 't buyten banger brandt, hoe koeler en min bangh,
Hoe 't buyten wilder waeyt, hoe louwer, in den drangh
Van blaêrtjes, die ick hoor rondom my henen ruyschen,
Maer als de baren doen die op mijn lilippen bruyschen.
En doen my minder leed dan of sy 't niet en deên,
Om dat ick ongemack verneem, en lijde's geen.
Wat scheelt het of my dit een Bosjen of een Boss doet?
Wie leeft van overschot? de weide die den Oss voedt
Is voor hem all' de wer'ld, en hondert merghen gras
En doet hem niet meer nuts dan of 't 'er niet en was;
En du^rsend roeden houts en sou my niet meer strecken
Dan minder, die my hier verlustigen en decken.
Kost yeder dat verstaen, wat waer de gierigheit
In haer holl kaeckgebeent een schoon gebit geleit!
Noch werdt mijn kleinigheit geboet met ander voordeel:
De mensch is altoos mensch; neemt rijp en onrijp oordeel.
Neemt sinnen oud of jongh; — soo menigh als wy zijn.
Veranderen geeft vreughd, en niet verand'ren pijn.
Die vreughd is in mijn macht, die pijne kan icK schouwen,
Soo haest mijn keure my wil schijnen te berouwen;
1) Thans wordt. 5) Tot hei wordt, verdort.