Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 29 -
Ter liefde van mijn lust. En soo van dusend trecken
Bleef d" een en d'ander vast; en van dat af en aen
Bleef yet lichamelicks in 't swart en 't vritte staen;
Een diugh, dat Armen had en Schouderen en Beenen,
Een redelick gestel van 't hoofd af tot de teenen,
Soo veel my duncken nioght En nu stond Boom aen Boom,
Daêr Boom aen Boom sou staen; nu gingh ick in den toom
Van vóórraed 1) en bescheid, en, hoe 't sich nae moght schicken,
lek hiel mijn plicht voldaen met gissen en met micken,
Soo ver gaet menschen macht in allerley belangh;
Beraden, overslaen sijn volle stade langh,
Meer eischt men hem vergeefs; maer 't langh heeft oock
sijn maeten:
Die lang doen kan en magh, moet oock eens können laeten:
Is 't overdéncken goed, het óver-dencken niet:
Hy siet sijn selven uyt, die al te lang doorsiet:
3nsoogh verdrincktin 't werck, daer 't moed' in is geswommen,
En ons vernuft beswijmt, gelijck die, hoogh geklommen,
Met schrick te rugge sien, en weten niet waer heen.
Om hals en been geheel 2) te brengen naer beneên.
Soo raeckt men bijster 's weeghs 3) in t soecken van veel wegen,
En daer en komt geen end van stadigh overwegen:
Die altijd willen doen, en hebben noyt gedaen;
t Schael-tongesken moet eens in 't huysken blijven staen.
Doe 't kind geboren was, hoe 't afliep met sijn lueren,
5ijn swachtels, en sijn wiegh, soud' hier wat langer dueren
Dan 't yemand lusten moght; en van die eerste jeughd
fin smaken meestendeel maer ouderen de vreughd:
/reughd, die de Nieuwigheit en Hoop alleen doen leven.
Die self den ouderen ten einde werck begeven;
fVaer op volght ongcvoel van wellust, doove plaegh,
Daer van ick (ick beken 't) mijn kindsch 4) gedeelte draegh.
Sfu, 't kind is jongh geweest, en'tis gebracht aen't groeien,
Len t bloeyen metter tijd: 'k heb niemand te'bemoeyen
ilet wat het tien jaer langh te queecken heeft gekost:
De Wijsen eten met, de gecken doen den kost.
1) Overleg. 2) Heel, gaaf. 3) Den weg bijster, mis 4) kinder-