Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 28 -
Veel hebben wreedelick in eewigh' ongenucht
Gekluystert en geboeyt wel draghbaere 1) vernuften,
Maer die ondraghbaerlick haer 's levens tijd versuften
In onwerck; dat is werck haer driften onbevoeght,
Haer krachten ongelijck; veel' hebben sich verploeght,
Verweven, of verschaeft, en geen bedijdt van allen;
Die Staet of Lettervolck, of Krijgsluy konden vallen,
En zijn 't geluckelick, en zijn ter eer en baet
Van eigen en gemeen, van Hnysgesin en Staet.
Het scheel aisoo gedeelt door my en door sich selven,
Quam 't op de spaden aen; mijn eerste sorgh was: delven.
Noch was 't de tweede maer: d'eerst had wat meerders in:
Tot werck hoort overslagh, tot weldoen goed versin,
My docht, papieren blad was licht genoegh te krijghen,
En daer bleef 's 2) ruym genoegh voor peper en voor vijghen.
Of ick 's 2) een riem verkladd' en aen mijn droomen hingh.
'k Sagh menigh misverstand en redenloosigh 3) dingh
Des werelds aengesicht mismaken en onteeren,
Gelijck een schoone Vrouw lijdt van verbrodde kleêren;
'k Sagh 't schoonste geld in 't slijck geworpen by geval,
'k Vond allom nieuwen druck van Kostelicker Mal
Dan ick heb doodt gerijmt of, mogelick, doen leven 4):
En al dit ongeval wist ick sijn naem te geven:
*t Hiet Na-docht, soo my docht, en 't was gespaert papier:
't Was noch yet oolickers S), 't was een onkundigh fier,
Een stout' onwetenheit, die niet en kost als waghen.
Om dat sy liever wouw niet twijfelen, dan vraghen.
Ick twijffelden en vraeghde, en ley mijn rouwe stof
Voor oogen, die ick wist, met vollen danck en lof,
Stof, als de mijne was, te hebben helpen keuren.
En oorbaerlick versnyên, niet snipperen, noch scheuren.
Maer al mijn recht was mijn, ick hiel een woord in 't vat 6);
De Landheer had wat wils en d* onderwijser wat.
De konst leed geen geweld, maer liet sich wel wat recken.
1) Vatbaar, vruchtdragend. 2) Des, daarvan. 3) onredelijk«
4) verg. boven in TII en Iv. 5} In zijn oorspronkelyke beteekenis van
slecht. 6) Achter, in voorraad.