Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 19 -
Maer dat ghy 's niet en siet, dat heeft oock sijn bescheet.
Weet dat ick Roden-burgh 1) heb onder mijne sooJen,
En treê de voncken uyt van sijn verborgen kooien.
Die hy hier onder my met groene rocken deckt.
En door een snoode pest uyt giftich sand verweckt.
Mijn buyren sterven deen; dees trapten ick het hooft in.
En stae tot op sijn hert, daer ick het vyer verdooft vin.
Een koocker is mijn romp, mijn ingewand een trap,
Waer langs ick lijde dat men tien en tienmaeJ stap,
Tot dat men eyndelick koom boven op mijn schoudren;
Daer laed' ick jong' en ouw', en kinderen en oudren.
En vrind en vreemdelingh; komt vry in groot getaJ,
En niemand sij vervaert voor ongeJuck of ral,
Danck heb geen sackende maer rijsende bragoenen 2);
Die door een draeyend hooft raeckt onvast in sijn schoenen.
Om dat hy sich te hoogh vind boven in de Jocht,
Die leune vry daer op, en vreese krack noch bocht.
Bier siet men 't grootst waerom 3) des Heeren die my boude;
Oock isser geen geweest die dese moeyte roude.
Dat hy den hoender-trap 4) langhs Kodenburgh bekJam,
Tot hy door mijn gedarmt op mijne schouders quam.
Hier siet ghy over 't vlack der voor en achter-weyen,
Hoogh boven top en tack van eisen, eyck, en meyen,
En onverhindert komt den halven wereJd-kJoot
In uw verheven oogh; hoe spits, hoe sfeyJ, hoe groot
Gesticht of bosch of boom, ghy siet het al ^edoocken.
En onder uw gesicht ootnioedigh en gebroocken.
Sie, Aijcker! dat ghy siet, en neemt wat tijds daertoc;
Verschoont mijn schouders niet; die werden nimmer moê;
Verschoont alleen mijn hals, daer magh 5) ick weynigh veeJen;
Met halsen valt het wat gevaerelick te speeJen.
Ghy siet hoe langh, hoe smal, dat hy nae boven gaet.
En wat een top-swaer hooft dat aen het eynde staet;
1) „Een Bergh van het roode sandt gemaeckt, dat de boomen dede uytgaen
ende namaels veriaeten wierdt, ende op een hoop ^ekart, ende met groene
zooden bedeckt". H. 2) Zie boven in 't Koste]ick MaI. 3; reden. 4) „Een
trap vau een swaere planek gemaeckt, daer de Jatten over dwers op^enageJfc
syn, ora op den Bei^h te klimmen". H. 5) kan.