Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 18 -
Die timmert aen den wegh is selden buyten opsraeek.
Ick leeck der spitzen een daer, eer men tot den top raeck,
En siese van der aerd ten woleken uyt gebout.
De Stichter sagh verspilt ruym hondert tonnen gout,
En noch eens, en noch eens, en seventigh en negen
Aen loock, ajuyn, en kaes, soo ick het heb te degen
En men de rekeningh van Steven 1) wel verstaet.
Nu ben ick — ^^jcker, stae! segh, eer ghy henen gaet,.
Wat ben ick ? Wie hier gaeuwst en kloekst sal in de weer sijn,
En't nutst en *t vrolickst vind, die sal mijn Heers Compeer 2) sijn;
Jan, maeck het Bosch-heck op, en ghy, o Kijcker-vrind!
Komt nader en bedenckt een naem voor 't houte kind.
Sie mj van elcke kant, van boven, van beneden,
En wilt, om wel te sien, wat tijds aen my besteden;
Het sien en kost hier niet. Aen een wanschaepen dier
Hebt ghy somwijl versnoept een stuyver drie of vier:
Te kermis, aen een meyt, die armeloos gebooren
Uyttarte met de voet de beste Nayster-slooren,
Stack draên door.'t naelden-oogh en naeyde wacker heen.
En wat daer vingers doen, deê vaerdigh met de teen; —
Aen een die ruym het hoofd van een volkomen man had,
Maer borst en buyck en dyên en beenen van een span bad;
Een Reus in 't Aepenland, die in een Munnicks mouw,
Die in een Visschers hoos sijn herbergh vinden sou;
Een Karei onder 't volck 3) dat in voorleden tijden,
Tweemaal zes duymen hoogh, met Kraenen plagh te strijden;
Een schaduw, die de Sou hier op de midaagn geeft.
Als hy een man beschijnt van boven uyt de Kreeft; —
Aen een gebaerde knecht, die met sijn hooft en borst sat
Op sijn verdort geraemt, die veel tijds goeden dorst had.
En mocht sijn kroes wel uyt, en op de toon-banck sprack,
Wat meerder als een hooft daer 't lichaem aen gebrack.
Oock siet men aen dit lijf geen beenen noch geen voeten,
Maer soo 't geoorloft was te graeven en te wroeten.
Men vonde dat ick die heb langh en dick en breet;
1) Stephanus, in zijn beschrijving. 2) Medepeter, gevader.8) dat der
Pygiueén.