Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
8 -
Soo spreeck ick uyt raijn Bors en uyt mijn hert te saenien;
Macr die het Stof-wijck heet, heeft goet verstand van naemen-
%n van de slechte stof, daer Hof-wijck af bestaet.
En vau der Dichteren ruym spreken sonder maet.
En is *t Gesticht 1) soo slecht, wat sal't Gedicht ver-
(bloemen,
Dat, die wat liofwijs is, sal Hoiwijck derven noemen?
Hol, lieve Leser! hol, en holler dan een blaes,
Een blaes met boonen, is dit voddige geraes.
Verhaest uw vonnis niet; jae, spreeckt bet sonder schroomen,
Ick help 't u spreken: 't zijn derd'daeghsche-kortsedroomen,
Daer op ick u onthael; 't is ongerijmde llijm,
Een buyten cierlijck graf, van binnen asch eu slijm 2).
Alaer houd het vonnis in, eu hoort my noch eens spreken:
Die oyt gewandelt heeft langhs modderige beken,
En heeftse niet altoos bewandelt sonder lust;
De Zee is alom sout, maer hier en daer de Kust
Beset met soet gewasch van Bloemekens en Kruyden,
Daer 't keurige begrijp van recht neus-wijse Luyden
Sijn sinnen in voldoet, en vindt de wegen kort,
Daer hier wat nuts en daer wat schoons gevonden wordt.
Het kreupele geschrift van teêre Leerelin^en
Wordt by des Meesters hand met konstehcke ringen,
Met stricK en spinneweb omvlochten en gepiert.
En hoe 't min deughdigh is, hoe meer betiercliert 3):
Soo kan een Ebben 4) Ujst een slechten doeck 5) verrijcken,
En doen hem voor wat goeds verkoopcn of bekijcken;
Die lagen leg ick u: mijn Boeck, mijn Schrift, mijn Doeck,
Mijn tamme Schildcry, recht u^'t geseght, mijn Boeck,
Mijn Hofwijck in papier is wande en, noch lesen.
Noch koop, noch kijcKen waerd; dat vonnis is gewesen:
Maer kust 6) en strick en lijst, die 't pieren op den kant
Zijn op de proeven van het keurlickste verstand.
Veracht ghy dan mijn stof, miju Selfkant moet ghy prysen;
Danck hebbe 't soet behulp van afgestorven Wijsen:
1) Versta; liet geheele buiten. 2; slijk. ;
5) schilderstuk. 5) rand.
)Omkruld. 4)ebbenhouten.