Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 143 -
408 Die wel lijdt, is een moedigh man;
Eeu kloeckert, die wel hooren kan.
409 Groote Vieren aen den Haerd,
Kleine Schueren vol gegaêrt.
410 In groot water groote Vissen;
Past maer, niet uw grond te missen.
411 Van eten rakender veel duysenden ter dood;
Van hondert duysenden niet één van hongers-nood.
412 Ontsiet de lieden die veel spelen.
En met uw meerder te krackeelen.
413 Schouwt mannen-volck, dat slecht gebaerdt is.
En Wind, die door een spleet vergaêrt is.
414 Weest op uw hoed', 't is sorghlick, om te gaen
Met Mensch of Hond, die geen geluyd en slaen.
415 Een Knecht, die grommelt en suer siet.
En is de beste Dienaer niet.
416 Tast gh' uw getroude Vrouw of een Salaetjen aen,
ïwee beetjens en niet meer, en daermêe laetse staen.
417 Wacht u seer voor quade Vrouwen,
En van goede te betrouwen.
418 Vau de Hand af tot de Lip,
Heeft men altemet wel slip.
419 Gelijck Sout uyt See-water spruyt,
Soo geeft de Vrouw de booslieit uyt,
420 Vóór sien ick 't volck sich vatten
Als Honden doen en Katten;
Van achter soet en fijn.
Als Broeders konnen zijn.
421 De Vijgen en Noten
Zijn- goede Lands-genoten.