Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 140 —
369
't En doet den Hengst geen zeer;
Maer hy verlieft te meer.
Slaet een Ey wel, het groeyter van;
So vaert een Vrouw by een goed Man.
370 Een Paep, een Muunick, met een Exter en een Kauw,
De Duyvel gunn' ick die Juweelen iu siju klauw.
371
372
373
374
375
376
377
378
'k Geloov' u, Hoentje! dat 's te seggen:
Ick hebb' u daer eeu Ey sien leggen.
Sy sien wel toe, die Kraeyen queecken:
Die sullens' eerst een oogh uyt steeeken.
Bedeckt u, ghy, maer met een Schild,
En die wil schreewen schreew in 't wild.
't Quaed Mes snijdt niet in 't Hout,
!Maer in de Hand, die 't houdt.
'k Hoor Koeekoeck roepen in der tijd;
Siet toe, dat ghy het niet en zijt.
Daer spreeekt een als een heiligh vat,
En heeft vast klauwen als een Kat.
Praet van uw eigen piju;
Laet yeder een de sijn.
Het Leer is 't, dat sich reckt en wijdt,
Maer Hout en kan dat niet — dat splijt.
379 Daer 's vrede tusschen Dief en Dief en Guyt en Guyt,
Noyt eu piekt d'eene Kraey aen d ander d'oogen uyt.
380
381
Met sijn quaê Oogen te geuesen
Schijnt onse Schout verdooft te wesen:
Hy voelde wel, wat ick hem gaf,
Maer wat ik seg, daer weet hy weinig af.
Denckt, wat ghy doet, so lang ghy hoeft,
Maer en vertrouwt op geen geboeft.