Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 102 —
Sulck water voor sulck' land, was geld op woecker leggen.
Danck hebb' de volle Vliet haer stadige gevaer 1),
Die 't onder-water-voick doet vlieden voor 't gevaer,
En in de ruyme stilt van Hofwijcks klaere broecken
De stille ruymte met sijns levenstochten soecken;
Van binnen veile vrê, voor buytens wilde vreughd
Met ongerustigheit, die daerom niet en deught.
Onnoosel stom geslacht, ghy komt u hier vermeiden
Gelijck de Land-heer doet: 't is Hofwijck voor ons beiden,
Ick schuyl' er voor 't geraes, ghy duyckt'er voor't getier:
Eén insicht, één bescheid, één einde brenght ons hier;
Maer, soo ghy spreken kost, hoe soudt ghy my beliegen,
Hoe soudt ghy, in de Vliet, 't Hofwycker-hoofsch bedriegen
Ontdecken voor den mond van d'een en d'ander' sloot,
En roepen: „Siet u voor, daer binnen woont de dood!
Het water isser koel in Vijver en in Grachten,
Maer heete Ketelen en Roosters staen en wachten
Dry voeten van de vreughd: men speelt' er met het net.
En die daer slaepen wil, smoort in 't gevierde 2) bedd':
Men noodt'er ons te gast, maer om den Waerd te^ijsen;
Dat 's Hofwijcks en dat 's Haeghs: let op den Raed der Wijsen,
En steeckt u in geen gat daer geen gat door en is!"—
Die dat bevroeden kan is kloecker als een Vis.
Is 't niet vermaecks genoegh, de Vissen te verrassen.
Hoort, Vreemdelingh, en spreeckt genadigh van mijn' plassen:
Een Vijver is vol vreughds, al waer hy Visseloos:
Let op die Boomkens hier, let ginder op die Roos,
En al wat, om den boord van mijn' gecierde grachten,
Hofwijcker Hof verrijckt met ongemeene prachten:
Een' Roose maeckter twee, vijf Boomkens zijnder tien.
Vijf, op het water-vlack, vijf op het land gesien.
Indien ick niet en dool, dit Peerdje treckt noch stijver,
En 't is de tweede reis gewoeckert met mijn' vijver:
Twee Huysen voor één Huys, twee Eilanden vool één,
Is weeldrigh' Alchimy, of ick en kender geen'.
1) In den zin van varen. 2) Versta: met vuur geheet, in zinspeling
op dat, met de beddepan verwarmd.