Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 100 —
Mijn bedd' waer stelens waerd: maer daer voor soud ick vechten
i^.n, die my niet en steelt met twee vertrouwde knechten.
Kan qualick Meester zijn van deken of matras,
Daer op ick by der nacht meer als by dage pass':
De rest en is geen waer, ora by den wegh te voeren;
"Wie sou een' Schildery verduyst'ren voor de Boeren?
Daer is geen heelen aen 1), 't'zijn vodden van beslagh,
By doncSer ongesien, en lastigh by den dagh.
Peurt aen mijn* keucken niet: ick weet'er niets van waerde:
Mijn Bleek 2) en Silverwerck, mijn' schotelen vau aerde.
Mijn' linnen-kassen kael, verwachten sonder schrick.
Wie tegens sulcken winst wil tuyschen 3) om een' strick:
Heel Hofwijck is geen proy ora lijf en lid te wagen;
En died'er sich vergrijpt, sal 't op de leer beklagen,
Om yser, overtent4), om lood, ora niet met al,
Gelijck de Muys om 't speek, te treuren in de val.
Soo valsch is 't uyterliek, en soo bedrieght schoon schijnen:
Mijn vollen inboêl is niet waerdigh om te mijnen.
Als 't voor de Lapp'-hoer 5) quam: en die van buyten staet,
Meent dat een' leyen-dack beduydt eeu huys van Staet.
Och armen! niet van straet, 't zijn schraele leêge wanden,
Daer KluyverG) en Stê-boo niet wisten wat te panden,
Hol als des Meesters hoofd: ten naesten by een' Ton,
Als daer de Keiser voor most wijeken uyt de Son 7).
Goê rust dan, grijpend volckÜck wacht te nacht geen'gasten.
Daer zijnd'er, die ick wensch my mergen noen 8) verrasten,
Min haelens ongesint dan brengens, dat 's gewis,
Maer halers metter minu', daer geen' wet tegen is;
Huys-dieven van mijn Kass' en mijn' genegentheden,
Vijf Zielen wel gehuyst in onverlemde leden.
Vijf haeldersop een' kerf, die noyt van yser wordt,
Soo langh ick niet en vast, en kom ^een hemd te kort;
Vijf erven van mijn Erf, vijf leken, vijf Gopyen
l) 't l8 de moeite van 't helen niet wBard. 2) blik. S) Ruilen (verg.j:
't Hoogd. tauschen). 4) overtind. 5) Uitdraagster, opkoopster.f
6) gerechtsdiender. 7) Versta: die van „Diogenes, den wijze. Die woonde
in een vat", als 't bekende liedjen loidt. 8) Morgen middag.