Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 97 —
Verdraeght noch voor besluyt een woord van't middel-punt.
Ten hoofde van 't groot Plein, het Bosch van Sycomoren,
Daer Masten overhands door en door henen booren.
Rijst eeu gemuerde Dijck (een' Brugg' en seg§ ick niet,
Dat 's de gemeene slagh, die m' allom elders siet),
Een' ondermuerde wal, een' wal beset met Roosen,
Die m' uyt de Veerschuyt siet staen flonkeren en bloosen.
Een lijdelicke Trapp', dien ick te leene houw
Van u, Venetiën, de schoone; van 't gebouw,
Het wonderlick gebouw, dat ghy Rialto doopten,
Doe ghy d'er d'eene Stadt aeu d'andere mê knoopten.
En liet d' onkund'ge wantrouwen van den boogh,
Die sulcken wijdde sou beslaeu met éénen too^h:
't En was my niet ontgaen in twaelf en achtien jaren 1),
Hoe hy my, overgaen, hoe hy my, ondervaren,
Iu d' onervarentheit van jongen voet en oogh.
Door 't steile vlack en door het vlacke steil bedroogh.
Hier hebb' ick 't na gebootst: twee flauwe steenen treden,
En twee, en noch eens twee, zijn ses gelijcke leden
Van 't Hofwijcksche Rialt'. Treedt op de leste twee:
Ghy zijt niet meer vermoeyt als op den eersten treê:
Ghy wandelt en ghy klimt; ghy laeft met lange pooseu,
Als Gal met Honighraed, en Distelen met Roosen,
De dry mael korte moeyt, die ses mael achter een
De minst swaerlijvige souw voelen in sijn' leên:
Ghy vindt uw voet oin hoogh, en weet niet of den sesten
Den eersten opgangh is, en staet al op den lesten:
Dat kan verdeelingh doen van besieh ongemack.
Die soo de kaerte van sijn' quellmgen verstack,
Eu temde suer met soet, en menghde pijn met rusten:
Hy ploeghde sonder sweet en arbeide met lusten.
Een uer gespannen Booghs, twee Peze-loos2) of dry,
Ontwapent distelen, en suyckert slaverny:
Langh eener-hand verveelt, het zij soo soet als 't zijn kan,
Maer die met slockjens slorpt, vermant wel een azijnkan.
1) Toen hij er in 't gevolg van Aersen van Sommeisdyck, geweest was.
2) Zonder gespannen pees.
HUYGENS. V. 7