Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 95 —
Mijn achterklapper waer mijn ronde Kamer-vriend,
En met mijn onderhout, als ick met sijn, gedient:
Daer soude men sijn waer noch sijn' waerachtigheden
Niet overweldigen!): maer onderlinge reden
Doen gelden wat sy kost, en vriendelick bericht
Doorpluysen op een aes vau 't fijnste goudgewicht;
En d' een den anderen soo veel bescheits bewijsen,
Dat laken lichtelick verkeeren sou in prijsen;
Of, kond't geen prijsen zijn, ten minsten tot gedoogh
Van hier een balck en daer een' splinter in ons oogh,
En soo begrepen wy, of trachtten te begrijpen,
Hoe traegh voorsichtigheit moet vallen aen iet slijpen
Van nagel of van tand, om in 't gesicht te slaen
Van die met ons voor God ten oordeel sullen goen;
God, die sich "t oordeel heeft en 't wraeckrecht voorbehouden,
Als messen, die Hy ons, Sijn' kindVen, niet vertrouwden,
Sijn' blinde kinderen, dien geen geweer en past,
Soo langh wy mensclien zijn en dolen by den tast.
Dit heb ick 'half geleert, en tracht het heel te leereu,
En, was ick buyten 't spoor, ten halven om te keeren:
Herstelt my op de baan van Dijn' gerechtigheit.
Die my het oordeel van mijn' Broeder hebt ontseït!
Met sulcke leeringen bevracht ick mijn gedachten,
Eu keur niet, of er my quaedwillige toe brachten,
Of redelicke liên; ick Iet niet op den man,
Mits dat ick uyt sijn roet wat honighs trecken kan.
Nu is de dagii ten eind', nu seggen Maen en Sterren,
't Is tijd, u herssenen in 't bedd te gaen ontwerren.
Ick weet het, en ick voel 't; noch gaet het langzaam toe;
Want wy zijn kinderen, en hoeven schier een' roê.
Die op te bedde jaegh': ick wil 't vau my bekennen,
Het zij een' goede drift, het zij een quaed gewennen.
Het slaepen houd ick voor geen menschelick vermaeck:
En, als ick kiesen moght, icK wenschte my noch vaeck,
iNoch slaepen opgeleght. Foey, da^elicksche sterven!
Foey, platte peluw-dood! foey, quistigh tijd-verderven!
1) Met geweld onderdrukken.