Boekgegevens
Titel: Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Deel: Dl. 7-8Vitaulium $ Hofwijk $ Spaansche wijsheit $ vertaalde spreekwoorden
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 107/108
Auteur: Huygens, Constantijn; Vloten, J. van
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IN BEWERKING
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203253
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korenbloemen: Nederlandsche gedichten
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 91 —
Daer vreldoen werdt beloont met laster of geweld;
Daer 't uyterste gepoogh der Vromen werd gestelt
Den boosen tot een' sehimp; daer H niet en is te passen,
■Men siet sich langhs of dwers door spijt of nijt bebassen 1):
Daer selfs de Vrcde-min misduydt werdt voor misdaed;
[ck meen, ghy soudt siju lot verfoeyen voor uw' staet,
Ên kruypen in uw luyck, en leeren beter wenschen,
En oordeelen 't geluck van uws gelijcke mensehen
Benijdelicker veel dan dat te Stêwaert blinekt.
En achter de gordijn van aensien hinckt of stinckt.
Is 't Schippertje voorby, de Visscher uyt de Veenen.
[)e Meisjens uyt de Wey, met koele bloote beenen,
Siet Emmertjens vol Melck, en vol gerustigheit.
Versterken 2) wat ick peins, en wat ick heb geseit.
Eu, scheid ick uyt den praet, en, treed' ick uyt mijn* hecken,
Sn, lust my achter *t groen der hagen, die my decken,
)e vrye vonnissen te hooren van mijn werck,
Üs laegh ick verr* van daer begraven in een' Kerek;
!)aer gaet het speeltjen aen, daer hoor ick soet en bitter,
Sn al wat yeder denckt van huys en van besitter;
Daer hoor lek vogelen van allerhauden beek,
tfy roemen voor een Man, en doemen voor een' geck.
De Veerschuyt voert van als 3): daer sittend'er vol reden,
Daer sittend'er vol spijt, die mijne sinlickheden
)f prijsen uyt haer gunst bf laken uyt haer' gall'.
Daer seggend'er: „'t is wel: Het Geld is niet-met-al,
; Gebruyck is 't altemael; de Man die Hofwijck stichten
ieeft wijsselick gedaen; hy most sijn hert verlichten
''au lange slaverny; h^ heeft' er voor geploeght,
In, als hy ploegende sijn' Vorsten had vernoeght,
In 't Vaderland voldaen, en niemant uyt gesopen,
In niemands voordeelen met listen onderkropen;
)en vromen voorgestaen, beschoneken en gevoedt,
)en boosen *t hoofd geboón, een Ghristelick gemoed
n 't Christeloos gewoel van Haegh en Hof behouden;
1) Daar 't niet zoo te ramen is, of men vindt zich van de eene of andere
I belaagd. 2) Bekrachtigen. 3) alles.