Boekgegevens
Titel: Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Auteur: Heim, H.J. van der
Uitgave: 's-Gravenhage: W.P. van Stockum, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 540 D 45 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203200
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Wet op het middelbaar onderwijs (1863), Wetsontwerpen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
onderwijs, en niet, waar het onderwijs vermeld wordt (artt.
13, 14 en 17), terwijl toch op de scholen dit gedeelte van
het teeken-onderrigt zooal niet de voornaamste, toch zeker
eene voorname plaats dient te bekleeden.
6" Waarom juist de gymnastiek door onbevoegden mag
onderwezen worden, verklaren wij niet te begrijpen.
7° Zal de akte voor de beginselen der vreemde talen,
en voor teeken-onderwijs, volgens de Wet op het lager onder-
wijs afgegeven, niet de minste geldigheid hebben voor het
onderwijs op de burgerscholen en de hoogere burgerscholen
met driejarigen cursus ?
8° Zal niet in deze Wet moeten bepaald worden, dat de
akten, volgens deze Wet verkregen , ook bevoegdheid geven
tot het onderwijs in dezelfde vakken bij het lager onderwijs?
Art. 83. Ieder die, enz.
Gelijk wij hierboven reeds opmerkten, op dit oogenblik
bestaat er geen eigenlijke inrigting van middelbaar onderwijs ,
en zoo er al eenige is, die als zoodanig beschouwd werd,
hare docenten hebben of moeten hebben eene akte, hetzij
dan volgens de artt. 48 en 49 , hetzij volgens art. 72 der Wet
van 13 Aug. 1857.
Doch indien er onderwijzers zijn, die zonder eenige akte
aldaar onderwijs geven, kunnen die dan gezegd worden
" krachtens de bestaande wettelijke bepalingen " onderwijs te
geven ?
____ Om daarin voort te gaan, bedoelt de Wetgever hier, dat
de onderwijzer aan dezelfde Inrigting mag blijven voortgaan ,
of wel dat hij in het algemeen, overal, zijne bevoegdheid
behoudt ?
Art. 89.,