Boekgegevens
Titel: Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Auteur: Heim, H.J. van der
Uitgave: 's-Gravenhage: W.P. van Stockum, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 540 D 45 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203200
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Wet op het middelbaar onderwijs (1863), Wetsontwerpen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
scliiedeiiis, Ned. taal, vreemde talen, teekenen, kan gegeven
worden door hen, die eene akte bezitten voor de beginselen
dier vakken, afgegeven door de Commissiën, bedoeld bij de
Wet van 13 Aug. 1857 , en dat dit onderwijs alsdan beschouwd
wordt te zijn huisonderwijs volgens genoemde Wet, en aan
de bepalingen en het toezigt van die Wet onderworpen. Voor
overige vakken van huisonderwijs late men gerust alle toezigt
varen, dat hier toch in elk geval moeijelijk is vol te houden.
Mag, kan men verder vragen, niet hier, gelijk bij het
lager onderwijs, eene akte van huisonderwijs voldoende zijn
om in eene school een speciaal vak te doceren ?
Art. 40. Het toezigt op de openbare burgerscholen en hoogere
burgerscholen en op de bijzondere scholen van middelbaar onder-
wijs is, onder het oppertoezigt van onzen Minister van Binnenland-
sche Zaken, opgedragen aan:
a. Burgemeester en Wethouders der Gemeente, waar de scholen
gevestigd zijn:
b. Inspecteurs.
Het toezigt op de landbouwscholen is opgedragen aan cenen
Inspecteur van het landbouw-onderivijs.
Ik aarzel mijn gevoelen uittespreken over dit artikel, omdat
men het welligt niet geheel onpartijdig zal achten. Doch ik
wil dit verwijt, mogt het gemaakt worden, niet ontwijken.
Vooreerst dan, geloof ik, dat, om werkelijk toezigt te hou-
den , Burgemeester en Wethouders in den regel de meest
ongeschikte personen zijn. En waarom? omdat zij in groote
Gemeenten, en met deze heeft men hier — met ééne uitzon-
dering — uitsluitend te doen, veel te veel te verrigten heb-
ben , om zich naar behooren van die taak te kwijten. Ook geldt
het hier niet eens een Gemeentebelang; immers, zooals art.
46 luidt, zijn ook de Rijks hoogere burgerscholen aan dit