Boekgegevens
Titel: Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Auteur: Heim, H.J. van der
Uitgave: 's-Gravenhage: W.P. van Stockum, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 540 D 45 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203200
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Wet op het middelbaar onderwijs (1863), Wetsontwerpen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
Raiul zelf welkom zijn, indien hij inderdaad den bloei der
Gemeentelijke Inrigting wenscht te bevorderen.
Art. 36. De kosten der Gemeentelijke burgerscholen enz.
Ten einde geschillen te voorkomen, die bij de Wet van
13 Aug. 1857 reeds zijn ontstaan, ware het welligt zaak hier
te noemen onder deze kosten " het schoonhouden der lokalen."
Ook is niet duidelijk gezegd, of de Gemeente dan wel de
leerling de schoolbehoeften en boeken betalen moet, hetgeen
noodig schijnt, vooral met het oog op art. 37.
Art. 37. Ter tegemoetkoming in de kosten enz.
Hetzij men de school van art. 13 behoude, gelijk zij is
ontworpen, hetzij men ze make , naar ons voorstel, tot een
avondschool voor teeken-onderwijs met enkele andere vakken ,
(zie bl. 25) het zal noodig zijn ook van de gratis-toelating
te gewagen, zonder welke voor aankomende ambachtslieden
in den regel de inrigting feitelijk zal gesloten blijven, daar
men hun zeer dikwijls de school als het ware zal moeten
opdringen, bij het weinig besef, dat in dien stand bestaat van
het nut van dit onderwijs. Maar veel te hoog schijnt ons het
maximum der schoolgelden toe voor de hoogere burgerscholen.
Vooreerst toch hebben wij hier te doen met tweeërlei
soort van scholen, die met drie- en die met vijfjarigen cursus.
En zal dit onderscheid iets beteekenen, dan moet het niet,
gelijk de Eegering schijnt te meenen, alleenlijk bestaan in
den duur van het onderwijs, maar in de geheele strekking
en rigting van het onderwijs. Dan moet, gelijk wij boven
aangaven, de school met driejarigen cursus voor een anderen
stand van leerlingen bestemd blijven, voor een stand, die
hoogstens ƒ 30 a ƒ 40 schoolgeld voor den knaap betalen
kan, voor de kinderen van hen, die men ook nog ten onzent
met alle mogelijke middelen moet dringen het onderwijs