Boekgegevens
Titel: Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Auteur: Heim, H.J. van der
Uitgave: 's-Gravenhage: W.P. van Stockum, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 540 D 45 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203200
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Wet op het middelbaar onderwijs (1863), Wetsontwerpen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
on gescliiktlieid van jjcrsonen, zelfs van zeer bescliaafden ,
do zonderlingste oordeelvellingen op de ongerijmdste grond-
slagen rustende.
Vergelijkende examina schijnen hier minder aanbeveling te
verdienen. Bij het lager onderwijs zouden wij ze niet
gaarne zien afgeschaft; maar hier hebben wij met een geheel
ander onderwijzend personeel te doen. Bij de lagere school
zijn in den regel de kandidaten jeugdige mannen, dien het
al te vaak ontbreekt aan genoegzame ontwikkeling en kennis,
om zonder den prikkel dezer examina, na het bekomen der
onderwijs-akte, zich theoretisch te blijven oefenen: bij het
lager onderwijs heeft men vaak te doen met een geheele reeks
van sollicitanten , en moet de benoeming veelal geschieden door
plattelands-gemeenteraden, die alleen nog door tastbare
bewijzen kunnen overtuigd worden, voor zooverre zij over-
tuigd willen zijn; bij de middelbare school zal meestal do
kandidaat een wetenschappelijk man zijn , door theorie en prak-
tische oefening beide gerijpt, die zijn studievak lief heeft om
de studie. Het vergelijkende examen zou ook gewoonlijk slechts
over één leervak kunnen loopen , en hot praktische gedeelte,
de waré maatstaf bij een goed, degelijk vergelijkend examen,
ook daarom weinig resultaten ter beoordeeling opleveren.
Doch in het belang eener goede keuze zouden wij verlan-
gen, dat de Inspecteur, bij elke vacature, aan den Gemeente-
raad eene aanbeveling van tivee kandidaten deed, zooveel moge-
lijk uit de lijst der sollicitanten. De raad blijft dan toch geheel
vrij in zijne keuze, maar de Regering treedt adviserend
tusschenbeiden, de verantwoordelijkheid overlatende aan het
Bestuur, dat de Gemeente vertegenwoordigt.
Verder, geloof ik, mag men niet gaan in de bemoeijingen
met Gemeentebelangen; maar deze inmenging zal aan den