Boekgegevens
Titel: Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Auteur: Heim, H.J. van der
Uitgave: 's-Gravenhage: W.P. van Stockum, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 540 D 45 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203200
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Wet op het middelbaar onderwijs (1863), Wetsontwerpen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eene aanteekening op het ontwerp van wet tot regeling van het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
vende talen, wiskunde, natuurkundige wetenschappen en
geschiedenis bij de Gymnasia, of omgekeerd; ja de verbin-
ding dier twee gemeente-inrigtingen, tot op zekere hoogte
zal, waar ze bij ééne wet geregeld worden, geen bezwaar
opleveren.
Blijven de Gymnasia buiten deze wet, ze zullen dan
spoedig in vele plaatsen geheel te niet gaan, waar ze al-
leen kunnen blijven voortduren door de vereeniging met
die zoogenaamde tweede afdeelingen. Ontegenzeggelijk zal
buitendien de geopende gelegenheid ter verkrijging van
goed industriëel onderwijs het getal bezoekers der Hoo-
gescholen in de eerste jaren doen afnemen, en daarmede
ook het getal leerlingen der Latijnsche scholen.
Art. 23. De onderxoijzers aan de openbare bxtrgerscholen,
hoogere burgerscholen en Bijks-landbouivscholen dragen den titel
van leeraar.
Dat de Wet uitdrukkelijk de titulatuur der onderwijzers
regelt, mag wel iets zonderlings heeten 1).
Doch ter dezer plaatse willen wij de vraag stellen , of
het niet in het belang, èn van het onderwijs, èn van het
toekomstig onderwijzend personeel zou te achten zijn, dat
op middelbare scholen van eiken graad, immers voor
eenige vakken , gelegenheid werd geopend , om hulpleeraren
aan te stellen , die wel bevoegdheid hebben om onderwijs in
lagere scholen te geven in de beginselen van een leervak ,
maar niet de verschillende akten hebben bekomen in deze
Wet bedoeld. Thans heeft men alleen bij art. 25 (laatste
1) Art. 42 van het ontwerp geeft dan ook den titel van "hoogleeraar,"
zonder eenige waarschuwing, dat de wet dit doen zal. Kan art. 23 niet
vervallen ?