Boekgegevens
Titel: Voedsel voor het kinderlijk verstand en hart: een nieuw geschenk voor de jeugd
Auteur: Löhr, Johann Andreas Christian
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1827-1832
2e en verb. dr; Oorspr. uitg.: 1805
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 678 E 8
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203188
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: algemeen
Trefwoord: Algemene ontwikkeling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Voedsel voor het kinderlijk verstand en hart: een nieuw geschenk voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
verklaring van woorden. lóp
„ geen gevoel, en neemt derhalve aan niets deel."
„ Hij heeft een week hart " is, daarentegen,
evenveel als, h^ heeft een zeer teeder gevoel, h^
neemt zeer ligtelijk deel in de gewaarwordingen
van anderen. Men noemt dat ook wel gemoed.
Men zegt van een' mensch: „ h|j heeft een goed
„ hart;" of, „hij heeft een goed gemoed,"
en men verftaat daaronder even hetzelfde, name-
lyk, de gewilligheid, om anderen voort te hel-
pen, en te dienen, en deel aan hunne omflan-
digheden eu lotgevallen te nemen. Nogtans be-
grijpt men ook dikwqls, onder het woord hart,
den geheelen wil van een' mensch, om gaarne
goed of kwaad te doen. Men zegt: „ zijn Aart
„ is bedorven; het is een mensch van een flecht
„ hart " of, „ hij bezit een regtfchapen hart,
„ enz."
Karels vader zeide hem nog, dat dit woord
voorts menig ander ding beduidde, als: genegen'
heid en vertrouwen jegens iemand, wanneer men,
bij voorbeeld, zegt: „ die bezit mijn ganfche
„ hart" of, „ik kan geen hart voor hem
„ hebben, enz."
Qoed. — De Heer ernst gaf zijnen zoon
nog een voorbeeld, in het woerd goed. „ Ook
„ onder dit woord begrijpt gij vrjj verfchiilende
„ dingen," zeide hij. „ Als wij eens willen
„ gaan