Boekgegevens
Titel: Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Auteur: Groen van Prinsterer, G.
Uitgave: Amsterdam: H. Höveker, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 27-14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203184
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Steur-de Brauw, A.E. van der, Onderwijsrecht, Regelgeving, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
vraag, of ook de inrigting van ons lager onderwijs niet aan dc
moderne rigting bevorderlijk is geweest; of de openbare school ons
volk althans niet vatbaar en ontvankelijk voor die nieuwe leer heeft
gemaakt. Ik beslis de vraag niet, maar ik doe ze."....
„Nu is onzijdigheid eenzijdigheid geworden; eenzijdigheid tegen
hen, die waarde hechten aan positief Christendom."
De sterkste welligt der uitdrukkingen die men vroeger,
als bewijs van laakbare overdrijving, mij ten kwade geduid
heeft, wordt thans door bijkans allen die vrijheid en Evan-
gelie lief hebben beaêmd. De heer van Zuylen komt er voor
uit, waar hij, voor het kenschetsen van de rigting Avaarin
wij geraakt zijn, niet terugdeinzende, zegt:
„ Wij bewegen ons in een stroom die ons leidt tot dit noodzakelijke,
ik zou bijkans zeggen tot dit fatale resultaat, dat de openbare school
eenmaal worden zal de moderne secteschool."
Neen, er is geen reden van moedeloosheid, er is reden
van dank! Niet ongaarne heb ik daarbij verwijld. Nu heb
iloeen minder aangename, maar minstens even pligtmatige
taak. Nu moet ik u toeroepen : Zijt niet overmoedig; zijt
niet gerust, als of gij bijna verkregen hadt wat gij u thans
welligt in uwe argeloosheid voorspiegelt. Hier zijn wij zoo
genoegelijk bij elkaar; hier zouden wij omtrent afdoende
schoolwetherziening spoedig eensgezind zijn; doch hier spreekt
de tegenstander niet mee.
Tweemaal reeds, in 1856 en 1866, schenen de laatste
dagen van de Meimaand ons gunstig. Tweemalen reeds liep
het op teleurstelling uit. De eerste maal in het begin van
Julij, de tweede maal in het begin reeds van -lunij, was de
kans ten eenemalc gekeerd.