Boekgegevens
Titel: Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Auteur: Groen van Prinsterer, G.
Uitgave: Amsterdam: H. Höveker, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 27-14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203184
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Steur-de Brauw, A.E. van der, Onderwijsrecht, Regelgeving, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Vorige scan Volgende scanScanned page
J4
Neen, mijne Vrienden! ik sluit het oog niet voor deze
merkwaardige ommekeer in de beoordeeling der schoohvct. Zij
is onloochenbaar, en in mij zou het dubbel onverantwoordelijk
zijn, indien ik dit verschil, dit contrast, voorbijzag. Als ik
de nederlaag van Nederland en Oranje in 1856/57 her-
denk, als ik naga hoedanig toen mijn eigen verhouding
tegenover de leiders der verschillende rigtingen geweest is,
dan schep ik met u, om hetgeen ik thans ontwaar, eenigen moed.
Wie uwer weet niet dat ik in 1857, met zeer weinigen
tegen eene overgroote meerderheid (zij noemde ons toen
// het kleine hoopken //) gestaan heb! Tegen de coalitie der
liberalen met de groote protestantsche partij. Wie was de
aanvoerder der liberalen, onder of naast Thorbceke.'^ immers
de heer van Zuylen van Nyevelt, nu in de sehoolvraag met
mij eensgezind. Wie was het orgaan der tegen mij opko-
mende protestanten? immers de lieer de Brauw, voorsteller
thans, iu de hoofdgedachte, van wat ik steeds, toen hij zelf
telkens tegenover mij stond, begeerd heb.
In 1857 had ik uitnemenden bijstand. Erger was het
daarna. Van 186Ü tot 1864 was ik bijkans alleen. Eu nu,
in 1867, wat zien we nu? de felste tegenstanders zijn in
de krachtigste medestanders verkeerd !
Is het niet trefl'end dat dezelfde redenaar, in wien ik
een, om de liberale sympathiën en om het wegslepende zijner
oratorische talenten, gcduchten antagonist ontmoet heb, ^^
die, in vrijzinnigen ijver, de zegepraal mijner beginselen,
vooral in het onderwijs, gelijk stelde met den ondergang van
den Staat, dat deze lofredenaar van de wet van 1857, den baron
v. Zuylen bedoel ik, thans, met zeldzame cordaatheid, het
vonnis over zijn eigen werk uitspreekt; dat hij, en vroeger reeds,
011 op den 12 Maart 11., ruiterlijk voor zijn gevoelen uitkwam ,