Boekgegevens
Titel: Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Auteur: Groen van Prinsterer, G.
Uitgave: Amsterdam: H. Höveker, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 27-14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203184
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Steur-de Brauw, A.E. van der, Onderwijsrecht, Regelgeving, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
Al was niet, vau deze twee staatslieden die aan de scliool-
wetagitatie zoo ijverig deel namen, de een op Buitenzorg,
al verwees de ander ons niet, zelfs voor zielevoedsel, naar
de toekomst, meer dan ooit is het in Nederland waar dat
er alleenheerschende ministers zijn , geen homogeen ministerie.
Niet, gelijk men dezer dagen gezegd heeft, niet onlangs,
niet enkel door het program van 4 en 7 Junij, reeds door
zijne benoeming zelve, werd de heer Heemskerk, wat de
sehoolvraag betreft, meester van het terrein. Doch, voor
hetgeen thans door mij bedoeld Mordt, zie ik geen onheil
in deze dictatuur. Althans ik wanhoop niet aan zijne mede-
werking voor hetgeen ik, als preliminairen maatregel begeer.
Dat in den regel schoolgeld moet worden betaald, dat
kerkelijke inkomsten niet aan de onkerkelijke, zoo niet
antikerkelijke, school mogen worden besteed, is, ook iu
des ministers oog, niet twijfelachtig. De discussie heeft
dit tot een axioma van wetherziening gemaakt, en de minister,
aan het sic vos non vobis (men maait waar anderen heb-
ben gezaaid) met dankbaarheid gedachtig, kan geen bezwaar
liebbcn tegen het plukken van eene door veeljarig debat
rijp geworden viucht.
Misschien wordt iemand uwer ongeduldig dat ik u zoo
lang met artt. 24 en 33, vergelijkenderwijs beuzelingen,
éprouvés." Tot mijn leedwezen heb ik dit laatste moeien onder-
vinden."
Niemand, geloof ik, mijner vrienden (ook, bij nader overleg, de
graaf van Znijlen zelf niet) zal in goeden ernst beweren dat ik mij
ooit aan dergelijke belagchelijke aanmatiging sehuldig gemaakt heb. —
Dat ik geen verbreken van les Hens les plus intimes, maar, na
7 Junij, enkel tijdelijke schorsing van onderling verkeer, meer niel,
wenschelijk gekeurd heli, hiervan heeft de graaf v. Zuijlen het op
12 Junij gedagteckcnde schriftelijk bewijs.