Boekgegevens
Titel: Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Auteur: Groen van Prinsterer, G.
Uitgave: Amsterdam: H. Höveker, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 27-14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203184
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Steur-de Brauw, A.E. van der, Onderwijsrecht, Regelgeving, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
gclieeleii iiilioud van liet voorstel. Het omvat te veel. liet
vereenigt wat reeds in staat van wijzen gebragt is, wat
reeds sedert lang had kunnen en moeten worden beslist,
met hetgeen, buiten eenigen twijfel, een onderwerp van
durige leraacldaging zijn zal.
Twee termijnen van wetlierziening heb ik steeds verlangd.
Den eersten, om althans de wet niet tegen ons nog te laten
verscherpen; om ze te doen uitvoeren in den geest waarin ze
tot stand kwam. Sedert tien jaren zuchten wij ouder hetgeen
men niet ten onregte deloyaleu uitleg en oneerlijke wetsver-
draaijing genoemd heeft. Men ontzegt ons zelfs de eerlijke
naleving eener verderfelijke wet ! Te vergeefs werd, jaar op
jaar de wegneming begeerd van dubbelzinnigheden , waarvan ,
tegen de bedoeling van den wetgever, ten onzen nadeele
misbruik gemaakt wordt. Die wegneming kon onverwijld
geschieden.
Dit was, in mijn en in veler oog, de eerste termijn. Daarna,
wanneer men eindelijk zal hebben gedaan wat nu reeds
doenlijk is en te lang verzuimd werd , komt de tweede
vraag ter sprake: hoe zal er, door degelijke wetherziening,
wezenlijke vrijheid van onderwijs zijn voor het volk; voor
elk die, al ontbreekt hem geld, cliristelijk geweten en
pligtbesef heeft?
Mij dunkt, wij mogen van den invloed van den heer
de I5rauw en zijne vrienden bij het Kabinet, een invloed
dien ik niet gering schat, verwachten dat dit zeer gewig-
tige bezwaar, ten hunnen gevalle, vooral ook in het belang
van het Kabinet zelf, uit den weg zal worden geruimd. De
verbetering van art. 24 en 33 kan, als aanvankelijk bewijs
van goeden wil, geschieden ä href délai. Zoo niet in deze