Boekgegevens
Titel: Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Auteur: Groen van Prinsterer, G.
Uitgave: Amsterdam: H. Höveker, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 27-14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203184
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Steur-de Brauw, A.E. van der, Onderwijsrecht, Regelgeving, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Vorige scan Volgende scanScanned page
mmm
kan te worstelen hebben gehad. liet is uit de tienjarige
geschiedenis der wet van 1857 duidelijk gebleken. En nu
zou hier (even als iu de wet op het middelbaar onderwijs)
de plaatselijke willekeur worden gewettigd die in de prak-
tijk van art. 23 der wet op het lager onderwijs (door
ergerlijk misbruik eener leemte van wet-redactie) sedert
tien jaren stand houdt.
Van waar dit? het is verklaarbaar alleen uit dezelfde
noodlottige vergissing omtrent den aard der gemeentelijke
zelfstandigheid, die ik dikwerf in de teederste volksbe-
langen, ook bij den heer Thorbecke, ontmoet heb. In de
discussie over de organieke wetten ben ik, meermalen ook
tegenover hem, ijverig voorstander van gewestelijke en plaat-
selijke autonomie geweest; maar enkel voor wat provinciaal
en communaal is, niet om de hoogste volksbelangen prijs
te geven aan locale willekeur en eigenzin. In de verschei-
denheid der toepassing moet, vau rijks wege, de zuiverheid
van het beginsel worden bewaard. Waar een algemeen beginsel,
bovenal waar de gewetensvrijheid op het spel is, daar wordt
het plaatselijk belang even hierdoor rijksbelang.
Of ik dan voorbijzie dat de voorsteller het beroep geeft
op de Gedeputeerde Staten en op den Koning // deu
natuurlijken beschermer // ? — Ganschelijk niet; maar de erva-
ring heeft geleerd dat, in den constitutionelen staatsvorm,
de natuurlijke bescherming van den Koning, uit den aard
der zaak dikwerf (en ook op andere wijs doorgaans) op
het goedvinden van een Minister uitloopt.
Bij nader overleg zal het, naar ik mij vlei, den scherp-
zinnigen voorsteller niet ontgaan dat het woordeke kan elk
hulpbetoon niet slechts illusoir, maar gevaarlijk maakt; dat
het de onbetwistbaarheid van het regt der minderheden in ge-
wetenszaken voorbijziet; dat het den fakkel van godsdienstige