Boekgegevens
Titel: Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Auteur: Groen van Prinsterer, G.
Uitgave: Amsterdam: H. Höveker, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. Pijn. 27-14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203184
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Steur-de Brauw, A.E. van der, Onderwijsrecht, Regelgeving, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wat dunkt u van het voorstel De Brauw?: bijdrage ter beantwoording
Vorige scan Volgende scanScanned page
minder rclcening maak. Immers voor mij is er tweederlei
gevaar. Indien ik spreek, mag ik geen de minste aanleiding
geven tot het vermoeden dat ik op onwaardige wijs deze
gelegenheid misbruik, te midden van geestverwanten, zon-
der vrees voor tegenspraak, mij verlustigende in zijdelingsche
kritiek. Zwijg ik daarentegen, dan zal men, en niet ten
onregte, beweren dat ik, vreesachtig, voor de mij hier op-
gelegde eigenaardige taak terugdeins; dan maak ik het
belagchelijk figuur van iemand die, door een reeks van
teleurstellingen, in een politieken pruiler en Heracliet
ontaard, zelfs waar hij een open oor en hart vindt, het
spreken verleerd heeft. Welaan! ook nu zal ik zeggen al
wat mij ter zake dienstig voorkomt, en werji de verant-
woordelijkheid van mij af wegens elke zweem van bitter-
lieid die, al ligt ze niet in mijne woorden , er iu mögt
worden gezocht of gelegd.
Doch er is, waar ik deze dubbele klip voorbijzeil, nog een
ander bezwaar. Sedert lang is mijn eigen standpunt ter school-
wetherziening bekend. Naar gelang der gewijzigde omstandig-
heden, heb ik, een en andermaal, den weg afgebakend, langs
welken mij dacht dat voor doelbereiking de meeste kans was.
Tot aan het tot stand komen van de schoolwet, was ik
voorstander van (amllative splitsing. Na 13 Aug. 1857 niet
meer. In onze eerste Algemeene Vergadering, in Mei 1861,
liet ik mij dcsaangaande met ondubbelzinnigheid uit.
// Als het staatsonderwijs neutraal, zoo niet erger dan
neutraal is, dan moet er, en dit is mijne hoofdgedachte,
eene gewijzigde, eene omgekeerde verhouding tusschen open-
baar en bijzonder onderwijs zijn. Dan moet aan de neutrale
school geen voorrang worden verleend. Dan moet het volk
niet in de noodzakelijkheid worden gebragt gebruik te
maken van dergelijk een school. Dan moet concurrentie