Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
korsten los te weeken en weg te nemen. Alle Doctors
zullen u zeggen, dat liet niet alleen niet ongezond, maar
voor de gezondheid hoogst bevorderlijk is want dat het
hoofdje door dagelijksche wasschingen zijne vrije uitwase-
ming behouden moet, daar anders niet alleen hoofdzeer,
maar, wat nog erger is, gevaarlijke hersenontsteking en
stuipen ligtelijk ontstaan." Zoo sprak klara uit innige
overtuiging, maar meestal te vergeefs; want onder al de
vooroordeelen, die bij de lagere standen, met betrekking
tot de eerste ligchamelijke opvoeding, heerschen, is er
geen zoo algemeen, zoo ingeworteld, en ach! ook zoo
hoogst verderfelijk als dit.
Als klara bespeurde — en zij zag dit menigmaal, —
dat de luijers en onderkleertjes van den zuigeling niet dik-
wijls genoeg verwisseld werden, zeide zij: "De zindelijkheid
te betrachten, kost op ons dorp zoo weinig! Het water
iiebben wij voor niets; hout, om het water te verwar-
men, is toch zoo duur niet, en wat zeep komt ook zoo
heel hoog niet te staan! Neem er toch de proef eens
van, of uw kind niet veel tieriger en flinker wordt, als
gij u gewent zijne luijers te verwisselen, terstond als gij
merkt, dat het zich verontreinigd heeft, en zoo gij het
ten minste om den anderen dag een goed gedroogd schoon
hemdje aantrekt!"
Zoo deed de goede klara haar best om hier en daar
nuttigen raad te geven; maar dikwijls kwam zij ontmoedigd
i'huis, als het haar bleek, dat zij, zoo als men zegt, voor
doove ooren gepreekt had. Westers drong haar niette-
min voort te gaan. "Wie wat goeds wil tot stand bren-
gen, heeft," zeide hij, "een allertaaist geduld noodig.
Al komt er van het goede zaad, dat wij strooijen, maar
een honderdste deel te regt, dan is dat honderdste deel
nog honderdvoud al de moeite waard, die er voor ge-
daan is. Wanneer de moeders," sprak hij verder, "die
gezond versland genoeg hebben om zich boven de ge-
wone sleur te verheffen, ons Geneesheeren willen helpen in
onze pogingen, om de eerste ligchamelijke opvoeding te
verbeteren, zullen wij, hoop ik, gelukkiger slagen, dan
tot dusver het geval geweest is. Éénmaal zullen de men-
L