Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
83 —
XIII.
VOOROORDEELEN BIJ DE EERSTE LIGCIIAAMS-
OPVOEDING.
Zoo vaak de Heer WESTEns op zijn geliefkoosd onder-
werp kwam, ontlirak liet nooit aan klagten over de vele
misslagen, die liier te Lande bij de verpleging van jonge
kinderen begaan worden, over de vooroordeelen op dat
punt nog lieersehende, en over de volslagene onkunde,
waarin inzonderheid de mindere stand ten opzigte van de
grondwaarheden der ligchaamsopvoeding verkeert. Klara
meende, dat de Doctor al te gestreng in zijn beoordeeling
was, maar kreeg ten antwoord: "Welnu! gij zijt in de
gelegenheid, om zelve te onderzoeken, wat er van zij.
Eilieve, doe dat! Welligt vinden uwe woorden, daar gij
zelve moeder zijt, bij moeders, die hare kinderen onver-
standig behandelen, meer ingang dan de mijne; dan ver-
rigt gij inderdaad een regt verdienstelijk werk."
Aangevuurd door den wensch om nuttig te wezen, be-
gon klara reeds den volgenden dag, toen zij, met den
kleinen albert op den ai-m, eene wandeling deed (ge-
lijk zij bij goed weêr om zijnentwil dagelijks gewoon was),
deze en gene armoedige woning binnen te treden, om,
bijwijze van een toevallig gesprek, aan de bewoonsters
goeden raad te geven.
Naar mate klara meer van nabij bekend werd met de
wijze, waarop de kleine kinderen bij de geringere burgers
behandeld worden, des te meer medelijden kreeg zij met
de wichtjes, die zooveel noodeloos leed te verduren hebben;
maar zij verkreeg tegelijk de overtuiging, dat het vele
verkeerde, waarvan zij ooggetuige was, meer uit gebrek
aan doorzigt, uit onbekendiieid met de ware behoefte van
jonge kinderen en uit gehechtheid aan de gewone sleur,
dan wel uit gemis van moederliefde ontstaat. Enkele ma-
G*