Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 80 —
zicli ook onUvikkele; aliijd zult gij toch vel liet een of
ander ontdekken, dat gij anders wenschen zoudt. Zoo
ligt openbaart zich al in 't eerste jaar deze of gene ver-
keerde neiging, die, kracht krijgende, eene kwade heh-
helijkheid en langzamerhand zelfs eene ondeugd zou kun-
nen worden! Nu is het zedelijk kwaad, als het pas in
't gemoed ontkiemt, gemakkelijker te overwinnen, dan
later.
"In de eerste kindsheid laat zich veel te regt brengen,
wat in later jaren niet meer te veranderen is. Daar-
om is 't voor het kind zulk een groot geluk, als de
moeder onpartijdigheid en doorzigt genoeg bezit om het
verkeerde, dat zich in de vroegste zedelijke ontwikkeling
mogt opdoen, te ontdekken, want zij, zij alleen heeft de
magt om te verbeteren, wat dikwijls in volgende jareji
met de strengste tucht niet meer te regt te brengen is.
De moeders toch doen haren invloed gelden in een' tijd,
waarin het kinderlijk gemoed de indrukken, die het ont-
vangt, niet alleen gewillig aanneemt, maar ook gemak-
kelijk voor altijd behoudt; later, als de inborst zich, om
zoo te spreken, in een' bepaalden vorm gezet heeft, wordt
de kweekeling al minder en minder voor vorming vatbaar.
"Onder de verkeerde rigtingen, die zich al in 't eerste
levensjaar openbaren, is schuwheid jegens vreemden (de
zoogenaamde éénkennigheid) eene der algemeenste. I^aat
men haar inwortelen, zoo wordt zij de moeder van bloo-
heid, en deze is niet alleen eene gestadige kwelling, maar
zij baart achterlijkheid in alle betrekkingen van het leven.
Hier, gelijk altijd en in alles, behoort de moeder zacht-
heid aan vastheid te paren. Laat eerst den vreemdeling,
dien uw zuigeling zoo zeer vreest, zich verwijderen, later
kome hij, een vriendelijk gelaat toonende, terug, maar
lioude zicli eerst nog op een' afstand. Niet dan langzamer-
hand en trapswijze make hij zich gemeenzamer met het
kind, en, na verloop van weinige dagen, zal het speleji
op den arm van denzelfden persoon, van wien het eerst
zulk een' afkeer had.
"Wil men een bewijs, hoe zeer de zuigelingen over 't
algemeen tot drift overhellen, zoo behoeft men enkel