Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 74 -
iiiecsLe menschen besellen; ja, ik geef zelfs loc, dat gedu-
rende de eerste levensmaanden, zoo lang het inwendig
leven (het ziele-leven) zich nog maar flaauw openbaart, de
zorg voor het ligchaam op den voorgrond moet staan; maar
ik moet u toch ernstig op het hart drukken, dat de opstellen
van onzen Doctor u niet in den waan mogen brengen, als-
of er, in het eerste levensjaar, voor de ziel van het kind,
dat is te zeggen: voor de aanvankelijke verstandelijke en
zedelijke ontwikkeling, nog niets gedaan behoefde te wor-
den. liet tegendeel is waar. Yan den eersten oogenblik
af, dat de zuigeling, wat hem onuingt, begint te ken-
nen , van den eersten oogenblik af, dat hij vatbaar
wordt voor toeneiging en afkeer, is het de dure verpligting
van de moeders om ook op de uitingen van het ziele-
leven des kinds te letten, en ook in dit opzigt de ontwik-
keling te bewaken, te leiden en te bevorderen."
"Eilieve!" zei de vrouw van den Onderwijzer, '^als
gij de goedheid wildet hebben ons daarover uwe gedach-
ten mede te deelen, zoudt gij ons eene groote dienst be-
wijzen. Ik 'voel wel, dat wij moeders vroegtijdig ten goe-
de kunnen werken op de vorming van onze kinderen;
maar hoe wij dat doen moeten, en wanneer wij daarmee
beginnen kunnen, is mij toch nog niet regt helder." —
"Ik wil beproeven u dat duidelijk te maken, ten minste
als wij klara gecn belet aandoen, want als gij den ou-
den man aan 't praten brengt, zijt gij zoo spoedig niet
van hem af."
"Geen nood!" zeide willem melberts, die met zijn'jon-
gen op den anu uit den tuin was gekomen, "de vrouwtjes
liooren u met genoegen en Ik ook. Vroeger, ik zal het
maar bekennen, vond ik gesprekken over kleine kinderen
nog al vervelend, ik zou bijna gezegd hebben nog al
kinderachtig; maar sedert ik vader geworden ben, denk
ik anders. Ik begrijp nu beter het gewigt van de vroeg-
sfe indrukken, die een kind ontvangt, en van zijne vroeg-
ste gewoonten, en begin dus ook in te zien, dat de wijze,
waarop de kinderen, al zijn zij nog zoo jong, bejegend wor-
den, niet zoo onverschillig is, als ik voorheen wel meende."
"liegt zoo, avillem! ter wille van uw aliïertje verheugt