Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 71 —
dienslinaagd heeft de kwade gewoonte, om, met een jong
kind op den arm, op een' hoek van de straat of andere
togtige plek te blijven staan praten, en dan kon het
ligtelijk eene verkoudheid of erger ongesteldheid opdoen.
Daarentegen zal men, zoo de door mij opgenoemde voor-
zorgen genouien worden, met blijdschap erkennen, dat een
dagelijksch genot van de open lucht op den zuigeling aller-
weldadigst werkt en aan zijn geheel gestel eene veêrkracl't
bijzet, die waarlijk verrassend is en hem altijd kan bij-
blijven. Laat uitheemsche plantjes in eene broeikas zetten,
laat opgezette vogeltjes onder een glazen stolpje staan;
als ge rupsen bewaren wilt, berg ze in een doosje; maar
uw kind heeft lucht en licht noodig; uw kind kan zich
niet krachtig ontwikkelen, als het opgesloten blijft bin-
nen de wanden van dompige kamers. De mensch moet
(e huis zijn in Gods schoone natuur, en daartoe opgeleid
worden van de eerste levensmaanden af.
Den zuigeling zooveel mogelijk het vi-ij gebniik zijner
ledematen te gunnen , ziedaar het ander hoogst eenvoudig
i;n tegelijk lioogst krachtig middel om de ligchaamsont-
wikkeling te bevorderen.
Dikwijls hoort men van de moeders, vooral van dezul-
ke, die nog andere jonge kinderen hebben, de klagten,
dat het zoo lastig is, dat de kleinen zoo laat leeren loo-
pen; meestal ligt de schuld dier achterlijkheid in de ver-
keerde behandeling gedurende het eerste jaar. Men kleedt
den zuigeling zoo stijf, dat hij niet in staat is zich genoeg-
zaam te bewegen. Hoe zullen de beenen kracht krijgen,
als zij geene gelegenheid hebben zich te oefenen? Alle
ligchaamsdeelen, die werkeloos gehouden worden, blijven
zwak; alle ligchaamsdeelen, die zich oefenen, worden sterk;
dit is de groote algemeene wet, waarop de geheele ligchaams-
opvoedkunde berust, eene wet, die zoowel op zuigelingen
als op oudere kinderen van toepassing is. Ja voorwaar!
beweging is voor den zuigeling eene wezenlijke behoefte. Gij
ziet immers, dat hij van de natuur de aandrift ontvangen
heeft om zich veel en levendig te bewegen. Als gij die
aandrift tegengaat, blijft het kind, door uwe schuld, zwak
en achterlijk; als gij haar gehoor geeft, bevordert gij de