Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 70 —
■\oorzoiner ter wereld gekomen zijn, licLLeii in dit opzigt
een groot voorregt, want zij kunnen reeds na verloop van
drie weken op een' wannen dag voor 't eerst in de open
luclit gebragt worden, en als de winter komt, zijn zij reeds
eenigei-mate tegen den invloed van liet weder gekard. Is
liet kind in de lente geboren, zoo waclite men vijf of zes
weken, alvorens liet voor de eerste maal ter wandeling te
dragen. Met de kinderen, die in liet late najaar of in den
winter het levenslicht hebben gezien, moet men nog be-
hoedzamer zijn. Zoo lang het vriezend weer is, late men
het kindje liever te huis, en wachte tot de eerste zachte
Aprildagen, als de luclit eene warmer tint begint aan te
nemen. Als den zuigeling zijn eerste uitgang goed be-
komt, moet hij den volgenden dag op nieuws in de lucht
en vervolgens dagelijks, als het weêr droog en niet al te
koud is. Dat men het gezigtje van den kleine, die voor
de eerste maal van zijif leven in de lucht komt, door eene
dunne bedekking (b. v. van gaas), tegen wind en zonne-
stralen een weinig beveiligt, is prijzenswaardig; maar hem
derwijze te overdekken en in te pakken, dat de lucht
in 't geheel niet tot hem kan doordringen, is onverstan-
dig; in dat geval kon men hem even goed te huis laten.
Nooit moet men het kindje terstond, nadat het uit zijn
wiegje gekomen is, in de open luciit brengen, maar hel
altijd eerst den tijd gunnen, om van den slaap te beitoe-
len. Plotselinge overgang uit de verwarmde kamer in de
koude buitenlucht moet men zorgvuldig vermijden; omge-
keei'd is het even gevaarlijk den zuigeling, als hij 's win-
ters buiten's huis geweest is, opééns bij eene warme kagchel
le brengen. Zuigelingen zonder noodzaak door de avond-
lucht te dragen , is in ons ongestadig klimaat nooit raad-
zaam; en als de moeder niemand heeft om op hem te
passen, niet zonder hem des avonds kan uilgaan, is het
beter om zijnentwil te huis te blijven. Liefst zou ik zien,
dat iedere moeder, al kan zij zich ook door eene dienstmaagd
laten vervangen, in eigen' persoon de taak op zich nam
haren zuigeling aan de lucht le gewennen. Verkiest zij
dit niet zelve te doen, zoo dient zij de persoon, aan wie
zij hem toevertrouwt, door en door te kennen. Menige