Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— GO —
Avezenstrekkeii, kuuneii helpen om den aard en de oor-
zaak van het geschrei te ontdekken. Dat hoekje schijnt
liet schreijen te beschouwen als eene soort van onvolle-
dige taal, Avaarmeê het kind zich Lchelpt^ zoo lang hel
de spraak nog niet magtig is, maar het voegt er bij, dat
liet aan de moeders gegeven is, om, als zij maar scherp
opletten, die onvolledige taal vrij goed te leeren verstaan.
Sedert ik albertje dagelijks gadesla, geloof ik Asaarlijk,
dat de Schrijver van dat boekje den bal toch niet zoo
ver misslaat.
Leïna. Gij noemt daar ooi'zaken, die op kinderen, zoo
jong als de onze, nog geen' vat hebben; dat mijn kleine
mina zich driftig maakt, geef ik toe; maar dat zij soms
enkel en alleen uit verveling zou schreeuwen, geloof ik
niet, en om te dwingen, daartoe is zij nog te jong.
Klara. Ik voor mij geloof wel degelijk, dat onze kin-
deren somtijds uit verveling schreijen. Hoe dikwijls toch
gebeurt het^ dat albert terstond stil wordt, als ik hem
uit zijn wiegje neem, en iets te zien of te grijpen geef;
dit is toch, dunkt mij, de proef op de som. Ook zou ik
meenen, dat kinderen als de onze, al zijn ze nog maar
een half jaar, al slim genoeg zijn om te kunnen dwingen,
en ik zou er alles onder durven verwedden, dat uwe
mina wel degelijk dwingt om de borst te krijgen, en dat
gij hoe langer hoe meer moeite met haar zult hebben,
als gij voortgaat al te goed op haar te zijn,
Len\. Maar zij komt toch altijd tot bedaren, zoo dik-
wijls ik haar de borst geef, en dat zij telkens zoo gretig
aanvalt, is toch een be^^ijs, dat ze honger heeft.
Klara. Als een kind de borst neemt, is dat nog geen
l)ewijs, dat het wezenlijk behoefte daaraan heeft. Neemt
een groot mensch, die iets voor zich ziet, waar hij veel
van houdt, ook niet weieens een proefje, al heeft liij
juist geen' ergen honger? In allen gevalle doe ik er toch
nooit eenig kwaad mee, als ik eerst eens beproef, of
ik albertje ook met iets anders tot bedaren kan brengen.
I k heb, bij voorbeeld, opgemerkt, dat hij somtijds ter-
ston<l stil wordt, als ik hem droog leg: een kind, dat ge-
wend is behoorlijk zindelijk gehouden te worden, voelt er