Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 59 —
weer aan de Lorst; maar op den duur kan ik dat on-
mogelijk uithouden; zie maar, ik Avord er puur ma-
ger van,
Klara. Ik geloof het graag, lena! openhartig gespro-
ken, ik denk, dat de manier, die ik er op lieL, Leter is.
Ik zeg dat niet, om er mij iets op te laten voorstaan; Avant
ik beken, dat ik op die manier gekomen Len door een
gesprek met onzen Doctor, en door een Loekje, dat hij
mij geleend heeft, Avaarin ik een heel hoofdstuk heb ge-
vonden over het schreijen van de kinderen.
Lena. Welnu, klara! leg mij dan eens uit, hoe gij
te Averk gaat; misschien kan het mij van nut zijn dut
te Aveten.
Klara. Vooreerst moet ik u dit zeggen: als mijn albert
begint te schreijen, Len ik niet maar zoo dadelijk gereed,
om hem de borst te geven; gij moet Aveten, ook al op aan-
raden van den Doctor, houd ik mij daarin aan een' vasten
regel. Albertje krijgt, daar hij nu zes maanden oud is,
niet binnen de lAvee en een half uur de borst. Ik kan
u niet zeggen, hoe goed ik mij daarbij bevind; de jon-
gen ziet er flink en gezond uit, en ik zelve Llijf.----
Lena. Gij Llijft er uitzien als de gezondheid in eigen-
persoon, terAAijl ik..... Avaart gij het niet, jaloersch op
u zou Avezen.
Klara. Doe als ik en het zal u gaan als mij. Als mijn
at>bert zijn stemmetje laat liooren j komt het ook Avel ter-
stond Lij mij op, hem de borst te geven; maar ik doe
het toch nooit zoo dadelijk. Aan Aviegen is geen gedachte;
A\ant gij moet Aveten, ik Avieg niet. In de tAvee eerste maan-
den mag ik er Avat meer moeite aan gehad hebben, tegen-
Avoordig gaat het zonder Aviegen ook goed. Uit den toon
van 't schreijen van albert laat zich soms al opmaken, Avaar
liet hem hapert. Het boekje, Avaarover ik zoo even sprak,
heeft er mij opmerkzaam op gemaakt, dat het geschrei van
een en hetzelfde kind in toon, doordringendheid en duur
aanmerkelijk verschilt, naar mate het óf van honger schreit,
óf uit drift, óf uit verveling, óf dal het dAviugt om zijn'
zin te krijgen; en dat ook de bewegingen, Avaarmeê het
schreijen gepaard gaat, als ook de uitdrukking van de