Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
b™
— 30 —
VIL
DE EERSTE LEVENSWEKEN.
tweede opstel "van den doctob, over ligchaams-opvoeding.
Terwijl klaha de raadgevingen van den Doctor, in liet
eerste opstel vervat, getrouw opvolgde en reeds met ver-
langen het tijdstip harer bevalling te gemoet zag, ontving
zij een tweede opstel, dat van den volgenden inhoud was:
Vóór de geboorte groeit het kiudje rustig voort in den
moederschoot, die het tegen eiken schadelijken invloed van
buiten beveiligt. Bij de geboorte verandert zijn toestand
aanmerkelijk. Ter wereld komende, is het plotseling bloot-
gesteld aan invloeden, die, omdat zij nieuw zijn, het dub-
bel sterk aandoen. De zachte, gelijkmatig warme vloeistof,
die het wichtje tot hier toe omgaf, is vervangen door de
meer kille, ruwere dampkringslucht. Deze treft niet alleen
zijne dunne en fijne huid, maar baant zich een' weg door
het mondje tot in de longen, zóódat de ademhaling een'
aanvang neemt, terwijl ook de bloedsomloop eene groote
verandering ondergaat. Te gelijker tijd treft het licht met
ongekenden glans zijne oogjes, en het geluid zijn teer ge-
hoor; geen wonder alzoo, dat de mensch bij zijne intrede
in het leven werktuigelijk een' kreet van jammer doet
hooren!
Als men in aanmerking neemt, dat het geboren worden
eene plotselinge verplaatsing is uit eene zachtere rnidden-
stof in eene ruwere, en tevens bespeurt, dat het lig-
Middenstof noemt men de stof, waarin een wezen zijn leven onder-
houdt: 7.00 is het water de middenstof van de visschen, en de lucht
de middenslof van de vogels, van de vlervoclige dieren en ook van
den mensch.