Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 28 -
kraclitvol menscli op te groeijen; wie geboren wordt als
een sukkeltje, loopt gevaar levenslang een sukkeltje te
blijven. Maar liet is van groot aanbelang op dit veld van
onderzoek een* stap verder te gaan. Als men ziet, dat
de kinderen zoo dikwijls niet alleen dat ligcliaamsgestel,
maar ook de inborst en de geestvermogens, of liever den
aanleg van de moeder scliijnen over te nemen, rijst van
zelf de vraag op: liangt bet overgaan van aanleg en ge-
aardheid van de moeders op de kinderen enkel en alleen
van de beschikking der Voorzienigheid af? of wel: kan
de zwangere er voorbedachtelijk iets toe bij dragen, om in
haar kind zulk een' aanleg te doen ontstaan, als zij
liefst zou w ensclien ? Met bepaaldheid op te geven,
hoe veel de moeders in dit opzigt voorbedachtelijk kunnen
uitwerken, schijnt mij ondoenlijk. Ik voor mij ben echter
overtuigd, dat niet alleen de gemoedsstemming der aan-
staande moeder, maar ook de onderwerpen, waarmeé zij
haren geest bezig houdt, wel degelijk invloed oefenen
op den zedelijken en verstandelijken aanleg van het kind.
Ik geloof, b. v., vast, dat de vrouw, die den lijd van
hare zw-angerschap in eene ontevredene en kniezende stem-
ming doorbrengt, groot gevaar loopt een kind te krij-
gen , dat al spoedig een' w reveligen en ontevreden' aard
zal aan den dag leggen; ik geloof, dat de vrouw^, die
in dezen tijd niets doet dan vermaak najagen, i-eeds nu
bij haar kind den grond legt tot eene ligtzinnige ge-
aardheid; ik geloof, dat de opgeruimde en blijmoedige
zwangere met grond hopen mag, dat het kind, 't welk
zij onder 't hart draagt, tot een goed gehumeurd, levens-
lustig mensch zal opgroeijen; ik geloof, dat de zwangere,
die lust betoont om iets degelijks te leeren en haren geest
liever op waarlijk wetenswaardige onderwerpen dan op
beuzelingen gerigt houdt, daardoor te weeg brengt, dat
zich te behoorlijker tijd lust tot weten en onderzoeken
bij haar kind zal ontwikkelen; ik geloof eindelijk, dat de
vrouw, die gedurende de zwangerschap haren Schepper
aanbiddend voor oogen houdt, het ontstaan van Gods-
dienst-zin bij haar kind voorbereidt. Dat een invloed
naar den geest, in dezen zin, wezenlijk bestaat, schijnt te