Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 16 —
"en, zoo mogelijk, al gezonder en krachtiger van lig-
"chaam."
Hier viel de Aannemer den Heer valkenhüize in de rede
met de woorden: "Dat gij Lij ieder kind in de allereerste
"plaats het gemoed door godsdienst en deugd veredelen
"wilt, spreekt van zelf; dat gij het ligchaam van ieder kind
"gezond en sterk wilt maken, is ook duidelijk; maar voor de
"ontwikkeling van den geest is uw eisch, dunkt mij, te
"algemeen. De geringe burger moet kunnen lezen, schrij-
"ven en cijferen; meer kundigheden heeft hij niet noo-
"dig. Veel te weten, maakt hem ontevreden met zijn lot
"en ongescliikt voor handenarbeid."
Vriend!" hervatte valkenhuize, "zoo ge mij hadt laten
"uitspreken, zou u gebleken zijn, wat ik eigenlijk bedoel,
"'t Zou dwaasheid wezen alle kinderen in alles te wil-
"len onderwijzen, wat maar de geleerde standen noodig
"hebben; neen, bij de opvoeding moet wel degelijk acht
"geslagen worden op de plaats, waarop het kind in de
"maatschappij staan zal; maar ieder kind, zonder onder-
"scheid, moet in onbekrompene mate zooveel grondig on-
"derwijs ontvangen, als zijn stand waarschijnlijk vereischen
"zal, en vooral moet de opvoeding Ijij ieder lund, al is het in
"den allergeringsten stand geboren, de geestvermogens be-
"hoorlijk oefenen, door oefening versterken en tot hooge
"ontwikkeling brengen; daarop lieeft ieder kind regt, om-
"dat het een menschenkind is. God schonk toch aan de
"kinderen, ook van onze armste medeburgers, zulke schoone
"geestvermogens niet om die stomp en ongebruikt te laten.
"Een geoefend verstand — wel te onderscheiden van
"eigenlijke geleerdheid — behoorde ieder mensch te be-
"zitten. Bedenkt gij wel, hoe menig laakbare daad meer
"uit bekrompenheid van inzigten dan uit booze bedoelin-
"gen voortspruit? Oefening van de geestvermogens en op-
"scherping van het verstand, acht ik voor ieder kind, in
"eiken stand der maatschappij, bijna even noodig als voed-
"sel voor het ligchaam. Zelfs in den geringsten stand
"kunnen de zintuigen niet te scherp, kan het geheugen
' niet te sterk, kan het oordeel niet te juist, kunnen, in één
"woord, de verstandskrachlen niet te zeer ontwikkeld zijn."