Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
- H —
schreeuwde zij, "ik zeg u, dal zoo ik nog twintig kinderen kreeg"
(«o/« bene Juffrouw vas der terp was de zestig gepas-
seerd), "ik ze allen juist op diezelfde w ijs zou grootLrengen."
liier neeg zij allernijdigst voor den Doctor (die zijne schou-
ders ophaalde), en vertrok zonder de overigen te groeten.
"Doctor, Doctor!" riep eene vriendelijke stem in de
deur, "gij hadt u zoo driftig niet moeten maken!"
De Doctor, die ijiwendig reeds schuld bekende, zag om
en bemerkte, dat de Heer valkejïhxjize was binnengetreden.
Later zullen wij dezen eerwaardigen man uit zijne ge-
sprekken leeren kennen. Willen mijne lezeressen intus-
sclien voorloopig weten hoe hij er uitzag? Hij liad door-
dringende zwarte en toch vriendelijke oogen. Zijn gelaat
was gerimpeld, maar nog blozend. Het hooge voorhoofd
en de kruin waren kaal, maar rondom de ooren en het
achterhoofd golfden sneeuwwitte haren; ofschoon hij on-
miskenbare teekenen droeg van hooge jaren, was het als-
of de jeugdige wezens, aan wie hij zijn leven gewijd had,
hem, tot blijvend aandenken van hunne dankbaarheid, iets
van hun' frisschen levensgloed hadden kunnen overdoen.
IV.
wat is opvoeden?
Op zekeren zomerschen achtermiddag was er theevisite
bij de vrouw van den Aannemer, 't Gezelschap werd op-
gewacht in den w el niet grooten, maar uitnemend fraai
gelegen' tuin, die aan een' van de hoeken opgehoogd en
beplant Was met esschen stammetjes, tot een ruim prieel
verbonden. Allei-liefst was het uitzigt, dat men daar genoot.
Op den voorgrond malsche weilanden met paarden en run-
deren; op den middelgrond onderscheidene welvarende
dorpen, doorsneden of omringd van vaarten, die als zil-