Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 189 --
der beweldadigden zijn gemoed tot zaclitheid en mede-
deelzaamheid mogt stemmen. Met woorden bestreed zij
zijne zelfzucht niet; zij hoopte op den tijd en meer nog
op het goede voorbeeld, dat is te zeggen, op hare eigene
liefde jegens het kind en op de warme genegenheid, die
hare kinderen onderling begon te verbinden. Het ijs,
meende zij, moet eindelijk wel smelten, als de zon er
maar lang genoeg op schijnen kan.
De meeste bekommering had klara over marie , want
zij was van oordeel, dat snoepen alligt de bron kan wor-
den van velerlei ander kwaad. Wat liet kind snoept, is
de eigendom van de ouders of van andere menschen en
wordt hun in 't geheim ontvreemd. Eenmaal, door snoep-
lust overheerscht, vervalt het kind er gemakkelijk toe zich
centen toe te eigenen om daarvoor lekkernij te koopen;
van kleinere diefstallen kunnen grootere komen, en dan
worden de gevolgen allerschromclijkst. En al leidt de
snoeplust ook niet tot eigenlijke dieverij, wie als kind niet
leert zijne lusten te beteugelen, zal, Opgroeijende, ook
meestal de kracht niet hebben zich van andere zinnelijke
uitspattingen vrij te houden. Daarom leerde klara hare
kinderen vroegtijdig aan ongeoorloofde begeerten tegenstand
te bieden, en leidde hen tot zelfbeheersching op. Onlangs
had zij marie in den tuin betrapt op 't plukken van bes-
sen. Moeder ziende aankomen, had de kleine de geplukte
vruchten van zich geworpen, en ontkende, terwijl zij hoog
bloosde, gesnoept te hebben. "Kind !" zei klara ernstig,
"verzwaar uwe schuld niet door te liegen; 't snoepen is
op zich zelf al zware zonde: Wie snoept, die steelt, en
wie steelt, die.. .."
"Ach, moeder! moeder!" snikte het kind, "vergeef, ik
zal 't niet weêr doen!"
"Dat hoop ik, marie ! dat hoop ik van harte! maar
tot uw eigen bestwil, mag ik u niet ongestraft laten:
raap de trossen op en breng ze mij; van avond zullen ze,
in 't bijzijn van uwe broertjes, bij uwe boterham liggen,
en als uwe broertjes vragen, wat die bessen beteekenen ,
dan zullen zij weten, hoe gij u uit snoeplust bezondigd
hebt aan iets, dat u niet toebehoort." Toen marie hare