Boekgegevens
Titel: Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Serie: Werken der Maatschappij tot nut van 't algemeen, 5:6
Auteur: Allebé, Gerardus Arnoldus Nicolaus
Uitgave: Leiden: D. du Mortier & Zoon, 1853
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 655 D 51
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203153
Onderwerp: Pedagogiek: opvoedingspraktijk
Trefwoord: Opvoedingsondersteuning
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het kind in zijne eerste levensjaren: wenken voor ouders
Vorige scan Volgende scanScanned page
~ ISi -
liefde en goedertierenheid, dan over zijne straflende regt-
vaardigheid heb gesproken, zult gij — meen ik — niet
misprijzen. Vindt gij ook niet, lieve marie! dat het ons,
moeders, hoofdzakelijk daarom moet te doen zijn, dat zij
God leeren vinden en Hem liefkrijgen ? Yrees kan, dunkt
mij, nooit de regte vooi-bereiding wezen tot liefde. Zoo
ik God als een geducht Opperheer moest voorstellen,
ik weet niet, mahie! of ik dan wel in 't geheel den moed
zou hebben, met mijne kinderen over God te spreken.
Dat God niet alleen het goede beloont, maar ook het kwade
bestraft, is mijn' albert nu niet meer onbekend; maar
albert bemint God meer dan hij Hem vreest. Zijn aard-
sche vader straft ook somtijds, en toch voelt hij, dat zijn
vader goed voor hem is.
In dezen geest hoop ik te blijven handelen. Veel ver-
der, dan ik nu reeds gegaan ben, denk ik met albert
niet te gaan. Eerbiedige liefde voor het Opperwezen in
te boezemen en aan te kweeken, hield ik voor mijn' eersten
pligt als moeder. Om eigenlijk gezegd onderwijs in de
godsdienst te geven, daartoe acht ik mij niet bekwaam. Een-
maal — al spoedig — zal mijn albert bemerken, hoe zeer
de menschen 't oneens zijn op het punt van godsdienst;
maar eer hij dat verneemt, hoop ik hem diep in 't hart
geprent te hebben, dal hij alle menschen, zonder onder-
scheid, als zijne broeders moet beschouwen. Vurig wensch
ik, dat in mijne kinderen warm godsdienstig gevoel ontgloeije;
maar hartelijk wensch ik toch ook, dat zij vrijblijven van de
onverdraagzaamheid en partijschap in 't godsdienstige, diebier,
en, naar ik hoor, ook elders in ons Vaderland, de inwoners
van dezelfde plaats van elkander vervreemdt. Als een mensch
waarlijk godsdienstige gevoelens koestert, kan er, dunkt mij,
in zijn gemoed geen plaats meer zijn voor liefdeloosheid, legen
w ie ook...... maar dit is een onderwerp, waarover ik niet
behoef uil te weiden. Wal zou mijne zwakke stem vermogen
tegen zoo velen? Deze brief, in eene dankbare en opgeruimde
stemming begonnen, moet niet met treurige gedachten ein-
digen. Vaarwel, beste marie! Nogmaals dank! beleef alles
goeds aan uwe kinderen cn denk dikwijls aan uwe opregte
vriendin klara melberts."